Archief voor de ‘Op het Vlaamse platteland’ Categorie


klaes

De Brugse ambtenaar en auteur Herwig Verleyen schreef een boek over John McCrae, waarin hij zijn levensverhaal uit de doeken doet. Zijn Canadese afkomst, studies, strijd in de Boerenoorlog, artsenloopbaan, enz. passeren de revue, maar de meeste aandacht gaat naar McCrae’s verblijf aan het front. Verleyen geeft en detail de omstandigheden weer waarin McCrae het gedicht schreef en hoe het zo beroemd werd. Waaronder de anekdote dat Charles Lindbergh vanuit zijn vliegtuig klaprozen dropt boven de Amerikaanse begraafplaats te Waregem.
 
VerLeyen debuteerde met de dichtbundel ‘Met open handen’ in 1970. Hij schreef veel aforismen, grafschriften voor overleden kinderen en haiku’s. Hij publiceerde ook boekjes de muzikant Jean ‘Toots’ Thielemans en de schrijfster Anne Frank. Helaas kon ik geen afbeelding van hem vinden, maar wel een foto van de kaft van zijn boek en zijn vertaling van In Flanders Fields:
 
In Vlaanderens velden
 
In Vlaanderens velden bloeien de klaprozen
tussen de kruizen, rij aan rij,
die onze plaats aanwijzen. En aan de hemel
blijven de leeuweriken vliegen en dapper kwelen,
tussen ’t geschut beneden nauwelijks te horen.
 
Wij zijn de Doden. Enkele dagen geleden nog
leefden we, voelden de ochtendstond,
zagen de gloed van de avondzon,
beminden en werden bemind en nu liggen wij, gevelden,
In Vlaanderens velden.
 
Zet onze strijd met de vijand verder.
Met falende handen reiken wij u over
de toorts. Aan u haar hoog te dragen.
Doet gij dit niet, dan zullen wij in deze aarde
geen rust kennen, ondanks de klaprozen
In Vlaanderens velden.
 
 
Paul Claes studeerde klassieke, Nederlandse en Engelse letteren en communicatiewetenschappen aan de K.U.Leuven. Hij is gepromoveerd tot doctor in de letteren met een proefschrift over de antieke elementen in het werk van Hugo Claus: De mot zit in de mythe (1981). Hij heeft romans, essays, poëzie en vertalingen gepubliceerd en doceerde aan de universiteit van Nijmegen en aan de hogescholen van Gent en Antwerpen. Hij is nu hoofddocent aan de Katholieke Universiteit Leuven. Hij is lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde en van het Guido Gezelle Genootschap.
 
Paul Claes is de gerenommeerde vertaler van onder meer Ezra Pound, D.H. Lawrence, George Bataille en Arthur Rimbaud. Samen met Mon Nys vertaalde hij James Joyce’ Ulysses.  Zijn meest recente roman, Sfinx, verscheen in 2004.
 
Zijn Liederen van Lesbos worden als vertalingen door collega’s zeer gewaardeerd. Het betreffen de teksten van de eerste schrijfster in de Westerse cultuur, Sappho. Ze werd 2600 jaar geleden op het eiland Lesbos geboren. Als aristocrate nam zij meisjes op in haar huis om hun een verfijnde opvoeding te geven. Onder de hoede van Aphrodite, de godin van de liefdesverrukking, groeiden zij op, tot de onvermijdelijke scheiding kwam: het huwelijk. Sappho was gefascineerd door deze jonge vrouwen. Alles in haar poëzie spreekt haar passie voor hen uit. Eeuwenlang verguisd is zij nu het symbool geworden van de bevrijde vrouw.
 
Van alle Sappho-vertalingen die er in het Nederlands zijn, is dit misschien wel degene die het best getrouwheid en dichterlijkheid verenigt. (Hans Warren)
 
In 2008 vertaalde hij In Flanders Fields met:
 
In Vlaamse velden
 
Papaver bloeit in Vlaamse velden,
Waar rij aan rij de kruisen melden
Dat wij hier liggen; in de lucht
Zingt fel een leeuwerikenvlucht
 
Nog boven het geschut te velde.
Wij zijn de Doden. Dagen snelden
In ochtenddauw, in avondlucht,
In liefde heen, tot men ons velde
In Vlaamse Velden.
 
Laat onze vijand dat ontgelden:
Neem nu de toorts die wij omknelden
Over en hef haar in de lucht.
Wij vinden, als u bent beducht,
Geen rust hoe ook papaver bloeit
In Vlaamse Velden.
 
 
Beide erudiete vertalers prikkelden me tot een vierde en laatste vertaling van eigen hand:
 
In Vlaanderen
 
In Vlaanderen woekeren de klaprozen
Tussen de kruisen, rij na rij
onze plek verradend; en in de lucht
vliegen leeuweriken, dapper zingend op de vlucht
 
Men hoort ’t nauwelijks door het kanongebulder aan de grond.
Wij zijn bijna dood. Enkele dagen geleden
leefden we nog, voelden de dauw, zagen de zon ondergaan
beminden en werden bemind en nu voor lijk gelegen
in Vlaanderen
  

 

Neem van ons het gevecht met de vijand over
Naar u gooien wij, met falende hand
de toorts; aan u om haar omhoog te houden
Als men breekt met ons die sterven
zullen wij niet slapen, ook al bloeien de klaprozen
in Vlaanderen

 


schaballie

“Ik werd opgeroepen en naar een ziekenhuis gestuurd. Ik verzorgde de gewonden, smeerde jodium, diende klysma’s toe en bloedtransfusies. Als de dokter opdroeg “Brecht amputeer een been” antwoordde ik “Zeker, uwe excellentie”, en sneed het been af. Als me gezegd werd “Boor een gat” opende ik de schedel van de man en rommelde wat met zijn hersenen. Ik zag hoe ze die knapen opknapten om ze zo snel mogelijk weer naar het Front te sturen….”
 
Bertold Brecht maakte mee wat WO I typeert: een volledige reductie van de mens tot een wapen, dat steeds opnieuw geladen werd. De hospitalen boden een omgeving waarin men deed alsof het dagelijks leven onveranderd door moest gaan. Men maakte daar huisorganen voor. Krantjes die het weer behandelden, de groei van de kuikens en het aanbod van 2e hands uniformen. Die gewoonheid zat ook in het gehoor geven aan de dienstplicht en het verbijten van de angst, de wanhoop, het voorgevoel.
 
De laatste nacht van Helen Thomas met haar echtgenoot voor zijn vertrek naar Frankrijk heeft ze in een dagboek beschreven. “Versuft stond ik te kijken naar zijn bagage naast de muur. Hij neemt zijn prismavormig kompas en legt mij uit hoe het werkt, maar ik kan het niet zien en als een traan er op valt doet hij het toe en legt hij het weg.
Dan neemt hij een boek uit zijn zak. “Zie je wel, je “Sonnetten” van Shakespeare zijn steeds waar zij altijd zullen blijven. Zal ik je er een paar uit voorlezen? Hij leest er een of twee voor mij. Zijn gelaat is grauw en zijn lippen trillen, maar zijn stem is kalm en vast. Weldra glijd ik op de grond en zit tussen zijn knieën, en terwijl hij leest valt zijn hand over mijn schouder en ik houd het in de mijne.
 
“Zal ik je uitkleden naast dit heerlijk vuurtje en je naar boven dragen in mijn kaki overjas? Zo maakt hij mijn kleding los en ik doe ze uit; dan plukt hij de naalden uit mijn haar, en we lachen over onszelf omdat wij ons gedragen zoals wij zo dikwijls doen, als jonge geliefden…”
 
“Ik verberg mijn gezicht in de holte van zijn knie, en al mijn tranen, die ik zo lang weerhouden heb, vloeien nu met schokken. Ik kan niet stoppen met huilen. Snikken schudden mijn lichaam door elkaar. Ik voel me in de diepste wanhoop zoals een man die in zee verdrinkt. Mijn geest is niet in staat na te denken…”
 
“De hele nacht lang blijven wij zo uitgestrekt liggen. Wij spreken soms over onze liefde en over alles wat gebeurd was, en over de kinderen, en over wat niet en wat wel gelukt was. Er was nooit geen leugen geweest tussen ons. Wij wisten alles van elkaar, en dat was goed. En zo vielen wij in slaap, pratend en huilend en elkaar beminnend, terwijl de ijzige weerspiegeling van het licht van de sneeuw door de met vorst bedekte vensters kroop…”
 
(Edward Thomas (1878-1917), officier bij het Regiment Artists’ Rifles, sneuvelde te Arras op 9 April 1917. In 1956 publiceerde zijn weduwe Helen Thomas haar boek “As it was – world without end” (Faber & Faber)).
 
Die huiselijkheid, hoop en wanhoop zitten in de kollebloemen van Rachel Schaballie, die zij in 1915 schreef, direct na publicatie van het gedicht van McCrae, en in 1919 publiceerde.
 
De kollebloemen van Vlaanderen
 
Vlaanderens hart bloedt in zijn kollebloemen open,
tussen de kruisjes door, die, rij naast rij geplant,
het simpel teeken zijn, waaronder wij steeds hoopen,
dat onze milde dood de vree werd voor dit land.
 
Bij rooden dageraad volgden wij in het blauwe
den zoeten leeuwerik, wiens jubel werd gestoord
door schroot en vloek en klacht. Tot men ons kwam houwen
en op dit Vlaamsche veld ons streven werd gesmoord.
 
Gij, die nu na ons leeft, wij reiken u de toortsen,
verheft ze naar het licht, elk roepe een nieuwen held:
verbreekt gij onze trouw, dan wordt in wreedste koortsen
ons ’t heilig verbod te slapen in dit veld:
in elken kollebloem zouden wij blijvend bloeden!
 
 
Mijn derde vertaling leg ik ernaast:
 
 
Op het platteland van Vlaanderen
 
Op het land van Vlaanderen ontluiken de papavers
Tussen alle kruizen boven de rijen kadavers
Die ons slagveld markeren; en in de lucht
De leeuweriken, dapper doorfluitend op hun vlucht
 
Je hoort ze bijna niet met al die bulderende kanonnen
Die ons doden. Slechts een enkele dag gewonnen
Nadat wij sneuvelen in de dauw , zien wij nog de zon ondergaan
Hebben lief en worden bemind en zullen voor gaas gaan
Op het land van Vlaanderen.
 
Jij daar, neem van ons de strijd over tegen de vijand
Pak de brandende fakkel uit onze slappe hand
Het is nu aan u de toorts omhoog te steken
Mocht u met ons die sterven breken
Wij zullen niet rusten, hoeveel papavers we mogen aanspreken
Op het platteland van Vlaanderen
 
NB
De tekening is gemaakt met een foto/collage van Dries Schaballie als voorbeeld.
Ik heb niet kunnen vaststellen of deze top-multimediadesigner een (klein)kind is van Rachel.
 


lanoye

Zanger en muzikant Bram Vermeulen geloofde dat hij een gereïncarneerde Waalse officier was, gesneuveld aan het Vlaamse front. Als een beetje arrogante officier zat hij altijd aan tafel. Achterovergeleund en de benen statig over elk jaar. In "Ik was erbij" culmineert deze empathie in volgens sommigen aanmatigende verzen:
 
En het lichaam van een man
Hangt in het prikkeldraad
Geraakt onder zijn helm
Gezicht zonder gelaat
 
Vertel van die verschrikking
Maar niet aan mij
Ik hoef niet meer te weten
Ik was erbij
 
Zo verklaarde Bram zijn fascinatie en zijn deja vu’s als hij het omgewoelde en aangeharkte landschap moet opzoeken.
 
 Tom Lanoye, heeft in 2000 geprobeerd om zijn gevoel te verwoorden dat hij ervaarde bij het lezen van In Flanders Fields:
 
In Vlaamse velden
 
In Vlaamse velden klappen rozen open
Tussen witte kruisjes, rij op rij,
Die onze plaats hier merken, wijl in ’t zwerk
De leeuweriken fluitend werken, onverhoord
 
Verstomd door het gebulder op de grond.
Wij zijn de doden. Zo-even leefden wij.
Wij dronken dauw. De zon zagen wij zakken.
Wij kusten en werden gekust. Nu rusten wij
In Vlaamse velden voor de Vlaamse kust.
 
Toe: trekt gij ons krakeel aan met de vijand.
Aan u passeren wij, met zwakke hand, de fakkel.
Houd hem hoog. Weest gij de helden. Laat de doden
Die wij zijn niet stikken of wij vinden slaap noch
Vrede – ook al klappen zoveel rozen open
In zovele Vlaamse velden.
 
Mijn tweede vertaling sluit daarop aan:
 
Op Vlaamse velden
 
Op Vlaamse velden openen de klaprozen zich
Tussen de kruizen, in rijen opgericht
Daar vind je ons; en in de lucht
De leeuweriken, dapper doorfluitend, op hun vlucht
 
Nauwelijks te horen in het lagere geweervuur.
Wij zijn de doden. Nog enkele dagen geleden
Leefden we, sneuvelden bij zonsopgang, zagen het schemeruur
Beminden, en werden bemind, en nu voor lijk gelegen
Op Vlaamse velden.
 
Neem onze ruzie over met de vijanden
Naar jou gooien we uit onze slappe handen
De fakkel; het is aan jou hem omhoog te steken.
Als je niet doet wat je ons belooft, wij die bez
weken

Wij zullen niet rusten, hoeveel papavers we ook mogen eten
Op Vlaamse velden
 
In de komende blogs wil ik nog de vertalingen van Rachel Schaballie (1919), Herwig Verleyen (1994) en Paul Claes (2008) aanhalen en mijn variaties ernaast leggen om toch te proberen het een anti-oorlogslading te geven.
 
 
 


mcrae

Het gedicht In Flanders Fields schreef John McCrae in 1915.  Deze Canadese dichter, auteur en kunstenaar was tijdens de Eerste Wereldoorlog chirurg aan het front bij Ieper en is in 1918 overleden aan een longontsteking.  Zijn paard "Bonfire" leidde zijn begrafenisstoet met, volgens militaire traditie, zijn laarzen omgekeerd in de stijgbeugels. De klaproos in zijn gedicht staat symbool voor het vele bloed dat vloeide. Het is nu symbool van de herdenking van alle oorlogen. Tot begin jaren vijftig kende Nederland nog de klaproosdag.
 
Klaprozen bloeien juist als andere planten in de buurt dood zijn. De zaden kunnen jarenlang op de grond liggen en pas gaan groeien als de grond omgewoeld en vervuild is. Sommige klaprozen, de papavers, worden gebruikt voor opium en morfine. In WO I stilden ze de pijn van gewonde soldaten, niet zelden voor eeuwig. In de laatste verzen We shall not sleep, though poppies grow / In Flanders fields wordt verwezen naar de verdovende werking van morfine.
 
De symboliek van de klaproos zit tevens in het binnenste zwart, de kleur van de rouw. In het hart van de bloem is ook een kruisvorm te zien, christelijk symbool van lijden en verlossing.
 
De Nederlandse Nits brachten in 2008 een ingetogen nummer uit, dat ze "In Dutch Fields" noemden. Dit nummer bestaat vrijwel geheel uit quotes van regels uit het oorspronkelijke gedicht. De titel en het nummer "The Flowers", wat voor In Dutch Fields op de CD staat, verplaatst het van de loopgraven in Vlaanderen naar de papavervelden in Afghanistan, waar Nederlandse soldaten nu van terugkeren.
 
Het oorspronkelijke gedicht luidt:
 
In Flanders Fields
 
In Flanders fields the poppies blow
Between the crosses, row on row
That mark our place; and in the sky
The larks, still bravely singing, fly
 
Scarce heard amid the guns below.
We are the dead. Short days ago
We lived, felt dawn, saw sunset glow
Loved, and were loved, and now we lie
In Flanders fields.
 
Take up our quarrel with the foe:
To you from failing hands we throw
The torch; be yours to hold it high.
If ye break faith with us who die
We shall not sleep, though poppies grow
In Flanders fields
 
Een eerste eigen vertaling:
 
Op Vlaamse Velden MV 1

Op de velden van Vlaanderen bloeien de klaprozen vrij
Tussen alle opgerichte kruizen, staan ze rij aan rij,
Op die plaats zijn wij, en in de lucht
De leeuwerikken, dapper doorzingend, in vogelvlucht

Nauwelijks hoorbaar door het geweervuur onder hun schoot
Zijn wij morsdood. Slechts enkele dagen geleden
Leefden wij nog, vielen bij dageraad, zagen het avondrood
We beminden, en werden bemind, en nu voor lijk gelegen
In de velden van Vlaanderen.

Neem de strijd van ons over met de vijand:
Aan jou vertrouwen onze handen onder de zerken
De fakkel toe, het is aan jou hem hoog te houden, wie hem erven
Mocht jij te kwader trouw zijn met ons die sterven
Dan zullen wij niet slapen, hoewel de klaprozen werken
Op de velden van Vlaanderen.
 
Het volgende blog de vertaling van Tom Lanoye en opnieuw een eigen variatie erna.
 
NB
 
De gehele serie  nu verkrijgbaar in een album met meer gedetailleerde prenten dan hier konden worden geupload bij:
 

http://dedrukkerij.mijnboekhandelaar.com/