Post Tagged ‘Bjorn is hier geweest’


De melkwitte traan blijkt niet uit een oog te komen. Het is een druppel uit de vermomming van Bjorn. Om zijn nieuwe vrienden te verrassen heeft hij uit een zwerfkei een transseksuele mini- melkbar gezaagd, die hij met een stang in dezelfde kleur onder hun schedeldak kan laten dansen. Daar zullen ze van opkijken, denkt hij giechelend van de voorpret als hij de zaagsneden zo glad mogelijk wegschuurt en het geheel polijst tot het levensecht lijkt.

Onder het zingen van ‘Doe je ogen dicht en hou je adem in, dan zul je iets prachtigs zien’ laat Bjorn zijn sculptuur door de kruin van zijn gastheren zakken. Hij vergeet echter te zeggen dat ze weer mogen kijken. ‘Hier ben ik dan’, roept hij juichend. Het rode en het blauwe ik kijken er niet van op. Doordat ze zolang al elkaar hebben wakker gehouden, zijn ze na Bjorns opdracht in slaap gesukkeld en dromen van het land van naar honing smakende melk.

Hoe Bjorn ook maar met de gebeeldhouwde zwerfkei op en neer danst voor het projectieveld (het visuele systeem) in het achterhoofd (de occipitale cortex), hij hoort slechts hun ademhaling die zwaarder wordt naarmate hij de kei dieper inbrengt. Het visuele systeem laat geen buitenstaanders toe, waardoor Bjorn niet kan merken dat het wel degelijk effect op hen heeft waar hij ze mee wil verrassen.

Oude herinneringen aan hun babyjaren wisselen de beide ikken aan elkaar uit, gemengd met hun voorstellingen van het beloofde land en de fantasiebeelden van hun samenleving aldaar, die hen voor ogen staat. De gedroomde inbeelding en Bjorn’s fysieke inbeelding van de gebeeldhouwde zwerfkei dreigen op elkaar te botsen. Het rode ik waarschuwt het blauwe dat er een vreemde meteoriet in de lucht hangt. Van angst knijpen ze nog harder hun ogen dicht en doen een belangrijke ontdekking.

De beelden in je droom worden door het projectieveld teruggekaatst naar je eigen ogen. Het visuele systeem is geen eenvoudige filmprojector maar een spiegelreflexcamera, die het filmmateriaal haalt uit gebeurtenissen in je hersenen. Het blauwe ik wil daar zeker van zijn en opent tijdens zijn diepe slaap de ogen. Tot zijn verbazing en tegelijk genoegen ziet hij de vleesgeworden zwerfkei voor zijn neus op en neer dansen. ‘Man, kijk eens wat er in ons hoofd rondzwerft’, fluistert hij het rode ik in het oor, ‘ons uitstekende onderlichaam met tieten als heupen’.

Het rode ik is meteen wakker in zijn droom en roept luid: ‘Bjorn, ben jij dat? Man, wat een verrassing. Het is om te gillen. Hoe heb je dat in godsnaam voor elkaar gekregen? Het lijkt net echt! Bjorn kan hem echter niet horen. Hij is even weggegaan om een vingercamera te zoeken waarmee hij via een gaatje in de stang bij hen naar binnen kan kijken. De transseksuele zwerfkei heeft hij vastgemaakt met een vlechtwerk uit de langste nekharen van hun huis van vlees.

Het beeld van de mini-melkbar en dat van het beloofde land passen zo perfect in elkaar, dat beide ikken erop door hallucineren in een dialoog over hun voorkeuren. Voor het eerst in hun bestaan als bewoners van de zolder van hun huis van vlees bekennen zij elkaar dat ze zich altijd al een vreemde hebben gevoeld in het mannenlichaam dat ze met elkaar delen.

Het rode ik droomde in zijn jeugd van het hebben van borsten en had een keer de bustehouder van zijn zus omgedaan, zijn sokken erin gepropt en zo zijn ouders verrast met de geslachtsverandering van hun jongste zoon. Het blauwe mij bekende dat hij, toen ze wat ouder waren, had gedroomd van een geslachtsorgaan dat je naar binnen kunt proppen voor een diepe vagina en kunt erecteren voor een lange fallus. Hij had dat op zijn kamertje uitgeprobeerd en het lukte hem om de slappe huid tussen het schaambeen te proppen, zodat het leek op een verfrommelde yoni.

‘Je hebt een binnenbeer’, had zijn broer geroepen toen hij hen in die positie voor de spiegel betrapte. ‘Oh ja’, herinnerde het rode ik zich, ‘dat is waar. Ik sc haamde me eerst diep, maar door de opengesperde ogen van onze broer die staarde naar ons kruis, kregen wij spontaan een stijve. Waardoor hij vuurrood werd en met een harde klap de deur dichtsloeg. Ik heb hem nog altijd heel hoog zitten, omdat hij het niet aan onze ouders heeft doorverteld.

Beide ikken dromen weg op die oude herinneringen en laten de mini-bar onaangeroerd in hun achterhoofd als een binnenluchtvrucht voor aap hangen.

(wordt vervolgd)


In een oogopslag zien ze melkwitte tranen de druiven bevruchten

‘Krijg nou wat’, roept het rode ik, die in een linkeroogopslag ziet dat het hersenvlies een melkwitte traan laat. Het blauwe ik staart met het rechteroog naar het wonder van de terugkeer van de druiven uit de moes. Een wit goedje lijkt daar de oorzaak van te zijn.

Ze kijken elkaar verbaasd aan. Voor het eerst is er oogcontact zonder dat ze elkaar in de haren vliegen. ‘Onze hersenen lekken’, zeggen ze beiden bijna eenstemmig tegen elkaar, ‘waar zou dat goed voor zijn?’.

‘Kun jij zien waar het precies vandaan komt?’, vraagt het blauwe ik rillend van het idee dat hun schedeldak ontdooit en ze straks in de vrieskou van de buitenwereld omkomen.

‘Het komt uit de cirkel van Willis, die bij de kruin lijkt te lekken’, zegt het rode ik op basis van zijn kennis van de bloedsomloop in de hersenen.

‘Hoe kan dat nou, dan zou het toch bloedrood moeten zijn?’, vraagt het blauwe ik, benauwd dat het afgelopen is met hun bestaan als een van de buitenwereld afgesloten innerlijke samenleving in een iglo voor hen alleen.

‘Ja, inderdaad, of zouden onze ogen er melkwit van maken?’ filosofeert het rode ik opgewonden van deze wonderbaarlijke transsubstantiatie van zijn gedachten aan een verzoening waar hij zo naar verlangde.

‘Wat nu’, bibbert het blauwe ik, ‘straks verdrinken we in ons eigen bloed dat melk is geworden vanwege een algehele smelting van ons lichaam. Hebben we misschien een profetie gemist door ons bekvecnten’?

Met ‘Stil, ik meen dat ik Bjorn hoor lachen’ denkt het rode ik zijn blauwe evenbeeld te kunnen kalmeren, dat nu toch echt aan het doorslaan is. Het werkt niet helemaal zoals hij dacht dat het zou werken, maar het pakt wel goed uit. Al had hij niet verwacht dat zijn mij zo snel van een koude kikker in een bange stengel zou veranderen.

‘Ik wil het ook hopen’, stamelt het mij als een trillend rietje en van de weeromstuit smeekt het als een zich dood geschrokken kindje om hulp van zijn verguisde ik.

‘Ach arme mij, wees niet bang, wat kan ons nou gebeuren (?). De druiven worden weer wat ze waren, een mooie glanzende tros, en de melk ruikt beslist niet zuur; eerder honingachtig. We gaan een beloofd land in dat nog nooit bewoond is en waar altijd de zon zal schijnen zonder dat het in het water ons nog uit elkaar kan drijven’, praat het ik zich ontfermend over zijn mij in de mooiste woordverbanden.

Met ‘Ik vertrouw op jouw ogen’, sluit het mij de zijne en wacht kennelijk gerust gesteld af wat er gaat gebeuren. Geheel verguld met zijn nieuwe status als baken in hun onstuimige zee roept het rode ik Bjorn als een bevriende verlosser aan.

‘Bjorn, als jij het bent, geef dan een teken dat de druiven niet meer zuur zullen zijn voor ons. Dat we samen van de trossen kunnen proeven en weer als één geest wakker worden uit de nachtmerrie dat we bijna schizofreen waren geworden van het elkaar niet meer gunnen om samen te leven, te genieten van de vruchten in onze hersenschalen en met jouw dat genot te delen. Kom gerust ons huis van vlees binnen. Het zal ons ontdooien en jouw een plezier doen dat je van harte welkom bent.

Alsof een harde noot gekraakt wordt, hoort het ik Bjorn door hun schedeldak komen. Dat wil zeggen, het geluid doet dat vermoeden.