Post Tagged ‘epilepsie’


vijver

Sirius eerste levenservaringen

De eerste levenservaringen van Sirius waren jammer genoeg niet zijn eigen schitterende ongeluk om in het gezin van een zeer bevindelijk predikant der Nederlands Hervormde kerk het levenslicht te zien, maar een zeer ernstig ongeval van een motorrijder op de dijk boven de pastorie, waar hij samen met Janie, de dienstbode, getuige van was toen zij er even gingen uitwaaien.

In zijn herinnering was de ongelukkige zomaar onderuitgegleden en met zijn hoofd tegen het trottoir gekwakt. Door de gemene val tegen de scherpe stenen rand was zijn schedel als een kastanje opengebarsten en zag hij de grijze hersenmassa, die glansde in het zonlicht. Voor hem was het hele gebeuren alleen begrijpbaar als een uit de hand gelopen spelletje met nu eenmaal snel stukgaand speelgoed als je het laat vallen. De biomassa toonde hem dat onder de huid van speelgoed net als bij vruchten, noten en sommige groenten week vlees zat. Wellicht even eetbaar als pinda’s. Zo klinisch als alleen een peuter kan, had hij de toestand geobserveerd en begreep hij niet het plotselinge verblinden van zijn ogen door Janie, die zich bijna doodgeschrokken moet zijn geweest.

De motor lag een stuk verderop, nog zo goed als nieuw en is pas de dag erna weggehaald. De aanblik van het opengebarsten hoofd heeft Sirius als zijn eerste stilleven netjes in zijn geheugen opgeslagen, maar hij herinnert zich later niets meer van de commotie die het aan tafel gaf toen hij probeerde met de gebakken levertjes te laten zien wat er in je schedel zit.

Jammer dat hij niet begerepen werd. Als driejarige peuter moet je het juist van beelden hebben in de communicatie. Je woordenschat groeit pas na uitleg van die beelden. Dit werkte bijna altijd, maar nu opeens niet. Vandaar dat hij zich nooit heeft herinnerd wat men gezegd heeft en dat het nog dagen heeft geduurd voordat men normaal tegen hem deed.

In hetzelfde levensjaar van zijn eerste confrontatie met de dood van de ander, mocht hij zelf bijna een doodservaring meemaken. Ook hier zat het spel als een kloof tussen hem en de wereld ingeklemd. Het begon met zijn drie oudere broertjes, die samen een vlot hadden gebouwd en daar de vijver achter de pastorie mee over vaarden. Sirius mocht niet mee en moest aan de kant blijven staan. Dat lot was niks voor hem. Hij wilde immers erbij horen en niet apart behandeld worden als een wezentje dat voor de sier op de wereld was gezet. Nee, zijn aanwezigheid behoorde serieus te worden genomen.

De volgende dag, toen Petrus, Lukas en Johannes op school zaten, zag hij zijn kans schoon. In de vijver dreef nog een plank van hun afgebroken vlotje en Sirius hoefde maar af te wachten tot het in het riet aan zijn kant vastliep om erop te springen. In zijn verbeelding was de plank hem komen ophalen, maar dat viel vies tegen. Hij belandde op het puntje, waardoor de plank omhoog klapte en hem met een flinke tik tegen zijn hoofdje onder water sloeg.

Toen hij wat minder versuft daar om zich heen keek, zag hij in de verte de snoek aan komen zwemmen die Oom Wim in de polder gevangen had en in hun vijver had losgelaten. De vis zag hem ook en zwom hem tegemoet met zijn kaken wijd open, waar luchtbelletjes uit kwamen. Hij probeerde de snoek vriendelijk te begroeten, maar merkte dat zijn woordjes ook luchtbellen werden, nauwelijks geluid gaven en het water brutaler worden, dat tenslotte zijn keel binnendrong. Hij hoeste en proeste maar het bleef er en werd meer. Tot een enorme golf hem omhoog stuwde en langs het klamme lijjf van de snoek uit het water tilde. Het was zijn vader, die zo lang was als een populier en van de kant had opgemerkt dat zijn zoontje aan het verdrinken was.

Net toen Sirius de staart van de snoek wilde beetpakken, had hij zijn zoontje al uit het water geschept met die enorme takken van armen van hem en die kolenschoppen van handen. Nog half versuft en half aan het babbelen vervoerde zijn vader hem als een menselijke ambulance over het grindpad, langs het terras, via de keukendeur de gang door, de trap op om hem uiteindelijk in de badkuip neer te vlijen alsof Sirius al het loodje had gelegd. Hij deed meteen de warme kraan open, terwijl moeder hem van zijn kleertjes ontdeed, en trok ook zijn natte pak uit.

Eenmaal weer bij de tijd zat Sirius tegenover zijn piemelnaakte vader rechtop in bad en voelde meteen een band die hij nog nooit zo met hem had gehad. Zijn vader was altijd met zijn werk bezig en plots was hij er voor hem. Letterlijk en figuurlijk in zowel de rol van zijn redder als van zijn lotgenoot. Nog wat rillerig van de kou verwonderde Sirius zich over zoveel mannelijkheid voor zijn neusje. Wat was zijn vader toch een reus van een held en wat was hij lief voor hem. Zijn handen wasten hem voor het eerst en waren veel zachter dan je van een reus zou verwachten.

Pap, weet je dat je onder water niet kunt praten?, meldde Sirius zijn vader zijn ontdekking van een diepere wereld waarin je beter je mond kunt houden want niemand kan je horen en het water zelf laat je stikken. Natuurlijk kun je dat niet, lachtte zijn vader zonder hem voor schut te zetten, daar is juist de lucht voor en die zit erboven. Ik bedoel, probeerde Sirius zijn gedachten op een rijtje te houden, ik maakte wel woorden maar die werden luchtbellen. Ja, dat klopt hoor, dat is je adem, wilde vader hem uitleggen. Maar Sirius zag het anders en vroeg: hoorde u mij toen ze boven water kwamen?

Even was zijn vader onder de indruk van zijn logica, maar de drang om hem de feitelijke toedracht te vertellen was te groot om erbij stil te staan. Ik was gras aan het snijden voor de konijnen, lichtte hij zijn snelle redding toe, toen ik je hoorde spartelen. Ik ben blij dat je niet verdronken bent, drukte hij Sirius tegen zich aan. Verdronken, wat is dat? vroeg Sirius in zijn stevige omarming door. Dat je…, hij onderbrak zichzelf, opeens bang voor doodsbesef van zijn onschuldige schatje, teveel water drinkt en teveel is nooit goed. Nee, teveel is ook niet lekker, bevestigde Sirius de waarheid van een koe en samen doken ze nog even onder in het bad dat nu tot de rand was volgelopen.


auto op dijk

Het spiegelbeeld los moeten laten
 
De auto van oom Wim hoorde je niet aankomen, voelde je niet hobbelen, zweefde als het ware over de weg. Een Chevrolet Impala geelgroen gelakt en afgewerkt met verchroomde achtervleugels kwam ons halen. Helemaal uit ‘s-Gravenhage. We gingen naar Delft. Voorgoed. Voor het eerst in mijn leven voelde ik me gedeporteerd, getransplanteerd.
 
Mijn meester was nog op de pastorie wezen praten of het niet beter was dat ik eerst in Gameren mijn lagere school afmaakte. Hij was terecht zeer bezorgd over het overgevoelige ventje, dat bij hem altijd opbloeide en door zijn zorg misschien wel iets te lang kasplantje was gebleven. Toen we al een tijdje in Delft woonden kwam de schat nog informeren hoe het met me ging. Heel slecht meester, had ik willen zeggen, ze houden hier niet van dorpsjongetjes en zeker geen protestantse. Ik moet altijd een andere straat nemen naar school en… Maar vader had het woord en ik zat er alleen maar gewassen en gekamd bij, blozend bij iedere lange blik van mijn meester.  
De auto was moeders idee, normaal gingen ze met de bus naar Den Bosch en met de trein verder als ze vervoerd moesten worden over een grote afstand. Zij had kennelijk een visioen gehad, want ze meende zeker te weten dat ik autogek was. Of het was bij haar opgekomen omdat ik zo graag op de dijk speelde en dan thuis kwam met wat ik allemaal niet langs had zien komen. Terwijl ik nooit zonder pilletje het erin uithield en eigenlijk alleen de wind waardeerde als je je hoofd uit het raampje stak. Moeders wens is echter in ieder vaderarme jeugd de enige leefbare  werkelijkheid, zeker als je je eigen behoeften nog niet allemaal onderzocht hebt en zij zo vaak het bij het rechte eind had gehad. Toch moest het halve gezin eraan te pas komen om mij op transport te zetten.  
 

Oom Wim kwam achterom de keuken binnen en meteen veranderde de tijd. De auto was natuurlijk al voor het hele dorp een bezienswaardigheid en bracht de dorpeling even in de moderne hedendaagsheid van de stad. Maar oom Wim was daarvan nog meer doortrokken met zijn bekakt Haags dialect, zijn atletische gestalte, frisse donkerblonde Hollands geknipte kop en voortdurend vriendelijke gezicht, veel opener dan dat van een gamerse inboorling en totaal niet houterig of verlegen met zichzelf. Alsof het weer in huis zonniger werd en hij vooral mamma stukken jonger maakte. Ze praatte ook meteen ooms taaltje, het was tenslotte haar broer.

Het plan was duidelijk goed in elkaar gestoken. Oom Wim kon die kleine Sirius makkelijk verleiden voor een ritje met alle ramen open en ondertussen waren  de laatste dozen gepakt en was het huis totaal leeg. Oom was wel bijzonder aardig. Ik mocht zo’n beetje alles van het dashboard uitproberen. De enorme ruitenwissers met verlengde armpjes, de ruitensproeiers, de achterlichten, vier binnenlichtjes, zelfs voor bij zijn voeten zat een licht, alles kon elektrisch worden bediend. Hij reed zelfs Gameren uit door Nieuwwaal, waar ik nog nooit was geweest, Kerkwijk en een lange bocht weer naar huis. Teruggekomen voelde het al zo verlaten aan dat ik niet eens om wilde kijken, terwijl ik toch nog geen afscheid van de dieren had genomen. Zelfs niet van het schaap, dat we ieder jaar voor de kerst vetmestten en nu bestemd was voor de koster. Die ook onze kleermaker en tuinman was en die ik in al die voor mij gescheiden rollen ook nog geen handje had gegeven. Dat drong echter pas tot me door toen ik de dijk oprende waar mijn broer en zus al klaarstonden met ook mijn koffertje bij zich voor de deur van kruidenier Van der Vlist. 
Terug kon ik niet, dan had mijn broer Petrus me allang te pakken, en op de dijk zag ik geen koster, tuinman of kleermaker. De koster vond ik niet zo vervelend. Hij had me vaak verraden als ik spijbelde. De tuinman was me liever, hoewel hij me ook weleens aangegeven had, toen ik spijbelde voor de schooltandarts. Maar de kleermaker miste ik wel heel erg. Nooit iets naars mee gehad en veel middagen op zijn atelier meegeholpen met de tenus van de plaatselijke harmonie repareren of de toga van mijn vader, het kostuum van de enige herenboer in het dorp, de colberts van de dokter, eigenlijk had ik van iedere man van belang in het dorp de mooiste kleren in mijn handen gehad en van knopen of rijgdraden voorzien. Het zat me dwars hem niet gedag te hebben gezegd en met hem heel het vergeten dorp. Ook de plek waar we op oom Wim moesten wachtten. Waarom nou precies daar waar mijn liefste vriendje woonde, die zich naast hen geposteerd had? Ze deden er wel alles aan om me ritueel verdoofd af te voeren. Ik had hem juist de dag daarvoor op mijn eigen plekje, aan het eind van de Heilige Geestweg verteld hoeveel ik hem zou missen, dat ik heel veel zou schrijven en iedere vakantie terug zou komen. 
Er was allang telefoon, maar niemand kwam in die tijd op het idee dat voor contact tussen kinderen te gebruiken. Kinderen van nog geen tien jaar werden sowieso niet echt serieus genomen. Je was eigenlijk een alien voor de oudere broers en zussen, niet van hun tijd. Vandaar dat je alleen toegang had tot de oude technieken, denk ik. Bovendien was ik de jongste en die houdt men het liefst zolang mogelijk in de staat van een kleuter, een mensachtige vorm van levend speelgoed. En ik was de enige die nooit verder was gekomen dan de markt van Zaltbommel en daar zo geschrokken was van leeftijdgenoten in pyama’s op straat, dat ik nooit meer een voet over de grens van het dorp heb gezet. Meer buitenaards kon een mens niet zijn.  
Stijfjes ging ik naast mijn broer staan. Geert vond het zo wel best en gaf me een half handje want hij moest nodig plassen en de auto kwam er al aan. Mijn broer hield vanaf dat moment mijn arm heel stevig vast. Hij herinnerde zich zeker de keer dat ik mee op vakantie zou gaan en de hele dag verdwenen was. Moest hij alleen naar de dames Verheul, waar zij op gezette tijden opgevangen werden als moeder ziek was. Ze had epilepsie gekregen na mijn geboorte, de aanvallen werden met het jaar erger. Samen logeren bij die tantes vonden ze op zich best leuk, maar alleen met die twee dames was volgens mijn broer een straf. Dan werd je vertroeteld als een baby en wat tafelmanieren enzo betreft niet meer verbeterd maar geheel heropgevoed.  
De auto stopte vlak voor mijn neus. Pappa zat al voorin en mijn oudere broers Johannes en Lukas achterin. Petrus en Ruth trokken me tussen elkaar in de ruime achterbank op. Daar zat ik dan als een knakworst tussen 4 boterhammen geprakt. Al snel draaide ik me ertussenuit en hing scheef over de hoedenplank tegen de achterruit gedrukt, toen we uit Gameren vertrokken. In de spiegeling van de autoruit bleef mijn dorp en mijn jeugd nog lang zinderen en met mijn armen omspande ik wat verloren zou gaan en nooit meer terug zou komen, een vanzelfsprekende wereld met doodgewone mensen, waar je overal toegang toe had, waar je bij iedereen over de vloer kwam, waar alles was zoals het hoorde met geen twijfel over het waarom.  
In de spiegeling zag ik mijn beginnende tienerhoofd, nog gezond blozend, open en vrolijk, met een gloed van stil verdriet, maar vol hoop dat het allemaal goed zou komen. Ik had de pillen niet voor niets geslikt. We kwamen zonder een golfje in mijn buik aan in het nachtelijke Delft, waar ik me al meteen niet thuis voelde. Een huis aan een spoorlijn die dwars door een stad ging en aan beide zijden autowegen, wat zijn ze met me van plan? Wilen ze een kleiner gezin? Dan kun je toch ook gewoon mij naar die dames Verheul brengen?
Het nare gevoel hier nog veel sneller de dood tegen te komen, dan in het dorp onderaan de dijk, had bezit van me genomen. Ik zou er pas na mijn tienertijd echt van verlost worden. Het spiegelbeeld van het gelukkige dorpsjongentje middenin zijn habitat had ik het liefst meteen omgesmolten tot het straatschoffie dat in de stad omringd werd door steeds meer liefhebbers van zijn wonderbaarlijke grappen en grollen. Maar spiegelbeelden laten zich niet omsmelten zonder ze los te laten en af te wachten of het stukvalt en je met de scherven aan de slag kunt.