Post Tagged ‘gevaren’


dodezeeperikelen

Hij komt

Effatha schreeuwt het over De Dode Zee
luister naar het kolken van de meloenen
geef gul je adem en zing het hooglied mee
er is tijd en plaats om ons bange hart te zoenen.

Het fruit dat eeuwig terugkeert in zijn draai
de zon meeslepend in een vruchtbare sterrenregen
vormt voor wie vrij wil zijn van het lijden een oneindig diepe baai
om zijn verlangen vorm te geven in het aanschijn van Gods zegen.

Het wonder der natuur kan zich voltrekken
drie lichamen klaargestoomd in te lang gelegen tijd
hebben in elkaar een verblijfplaats gevonden zonder de spijt
van duizend graven waarin verloren zielen hun stokstijve benen strekken.

——

Effatha schreeuwt het in mijn vliegveld
waar mijn liefste op me wacht
open your mind for love Dumb Boy
your brother and his new mate are for your joy.

Daar komt hij met zijn ziel gevisiteerd
onder zijn arm de trap afgelopen
zijn ogen nog betraand, maar onbeschaamd
valt hij als een blok voor mij om zich te laten dopen.

Hier ben ik, kijkt hij omhoog, ik kan niet anders
dan bij jou te zijn, verfijnder kan ik mijn pijn niet voelen
ik ben je zacht satijn, de huid die zonder zon en regen
wind voor je ziel en zaligheid zal zijn, ik kan ertegen….

——

Ik kus zijn voorhoofd, raak zijn lippen teder
til hem op en laat mijn mond zijn zilte tranen snuiven
ik voel mijn lieve vriend, ik voel zijn leger dierbare soldaten wuiven
naar de overkant waar zij de troon bezet met diadeem en op het zachte leder

de kussens opschudt, de lakens gladstrijkt, de plaats vrijhoudt
voor ons om aan te schuiven. De tafel is gedekt, het liefdesmaal gewekt
kom zegt ze, het eten wordt koud als we nog langer wachten
ze lacht stout, ze heeft haar eigen diepe gedachten.

vier schalen maken in het water de echtelijke kringen
waarbinnen de vruchten opengaan en onze zielen zingen
over het heelal dat diep in ons op springen staat
en het lijf dat vol hete liefde over ons praat.

——–

Eeuwig cirkelen we rond elkaar
slingeren onze benen om d’ armen
verwoorden het alfabet zonder eigen taal
verbeelden het land waar zij het luider spreken

geboterletterd likken wij onze bladeren
snoepen wij van het esdoornen wetsfluweel
raken onze monden de bittere randen van haar struweel
bijten onze tanden zich vaster in haar aderen

zeker van elkaar, de handen vrij, de blikken open
het land ontvouwt zich als een brandend strand
weg alle weerstand tegen het onverbloemde spreken
dat wij vruchten zijn, waar anderen slechts bloemen kweken.

——

de reus met  het holle kinderhoofd vol Kloospionnen
richt zich op uit zijn slaap, wrijft zijn moederbuik
recht zijn vaderschouders voor het beschuit
met muisjes nu het ei eindelijk is gelegd.

weg alle watervrees, alle zielsklachten
onze schil is hard van wellust in gedachten
het kalk is vlees en bloed geworden
in het wit en geel de dooier van ons genot

blaas liefste, blaas leeg het ei, het is er voor pasen
het geeft God en de zijnen troost in waterverf
we mogen niet langer onszelf blijven verbazen
zijn eeuwigheid hebben we verdiend geërfd