Post Tagged ‘god’


Je weet maar nooit

Overal tikkende tijdbommen

Het kan zomaar misgaan

Op zoveel gebieden, in elk land

Alsof overal tikkende tijdbommen staan

Hier, geen mens op het strand

….

Altijd, je weet maar nooit of

Er één afgaat of bij hem in z’n kop, of

Dat een gek uit de lucht komt vallen

Omdat onze smoelen hem niet bevallen

….

Zo’n gek denkt misschien ook je weet maar nooit

Die gasten hebben zulke glazen smoelen

Of hij voelt zich gepakt en moet z’n woede koelen

Politiek wordt er immers maar wat aangeklooid

….

Kom, we gaan naar huis, ik gruw van dat stille

Het is hier echt niet pluis. Waarom gil je?

..

..

.

Vlissingen, maandag 14 oktober 2013, de dag waarop je je weer eens overtrokken realiseert dat je-weet-maar-nooit heerst op aarde, omdat het zelfs op het verlaten strand onrust baarde


Als je lusteloos bent, lijkt het alsof je lichaam alle ballast van het leven heeft opgezogen en je gedachten in die klei fossielen worden. Alles wat je bent, heeft geen waarde meer. Alles wat je liefhebt, verliest alle zwaartekracht. Alsof buiten je een orkaan woedt en je in het epi-centrum gelaten je bestaan, je wereld en je leven laat verwoesten. Dat die orkaan Thanatos heet en dat je in zijn armen de dood in danst, vind je allang best. Je scheidt je zonder stribbeling van wie je bent als van de ander zonder wie je niet meer kunt bestaan zonder jezelf teveel te voelen. Zet mij maar bij het vuilnis, is het enige dat je voor hem of haar over je lippen kan krijgen.

Eros heeft dat onmiddellijk door, maar jij wilt geen vrolijkheid in huis en laat wie je liefhebt de boodschappen doen. Je stuurt je liefde de deur uit als een dienstbode die ongewenst is nu je zo in beslag wordt genomen door de zinloosheid, door het niet-zijn. Een eigenaardige adelstand neemt bezit van je. Je holle kinderhoofd gaat heersen over alles en iedereen met de krachteloze poses en gebaren van een grootgrondbezitter die alles weggeeft als hij maar met rust gelaten wordt en hooguit van grote afstand beweend wordt. Geen grotere aansteller dan een depressieve man is voorstelbaar voor de gezonde van lichaam en geest.

Een vreemde omslag die haat jegens het leven die we depressie noemen, waarin bloemrijke woorden verdorren en de taal van de vernieting je daadwerkelijk de dood in kan jagen. Het dansen is bizar. Je hangt in zinnen als dat het niets meer wordt met je, dat het nooit wat heeft voorgesteld, dat iedere inspanning voor niets is geweest, in de armen van Thanatos stomdronken van zelfontkennende gedachten.

Thanatos hoeft je maar te wiegen of je walging van de mens en zijn wereld, van alles wat je gemaakt, gedaan en gedacht hebt, kots je al over zijn hagelwitte pij uit. In zijn knappe gelaat ontbloot zijn grijns een tandenkerkhof, waartussen je op zoek gaat naar een gat voor je graf. Oude gedachten aan knekeldalen, die ieder woonoord hoort te onderhouden voor wie wil sterven als hij meent dat het zijn tijd is, doen je dagdromen over je dode broer die je komt halen om je op zijn knekels naar zo’n dal te vervoeren. Je wilt bij de doden zijn, bij hen horen die het leven en daarmee jou de rug hebben toegekeerd.

Maar dat hou je niet vol als eenmaal Eros weer thuis is en wars van je pogingen in gedachten te sterven vissen, groenten, fruit, broden, noten, bloemen, kranten, dranken, vlees- en deegwaren op de tafel uitstalt als een stilleven van de vrijheid het er altijd van te nemen. De liefde neemt geen genoegen met een bijna dode in huis en laat zich niet als levenloze natuur aan de kant schuiven. Je mag je nooit voor de ander afsluiten, hoor je als gefluister van merels om je heen. Met wit licht, strijkkwartetten en een amusante operette raakt de zelfgegraven put verstopt.

Het wordt kiezen of delen. Luisteren naar de stem die zegt dat het sneller voorbijgaat als je er tegen in opstand komt en de duisternis uit je lijf rent. Of naar je kop die de deur dichtknalt als er aangebeld wordt en door de brievenbus de klachten stromen dat als je er niets tegen doet, je de ander echt pijn doet en dat jij dat op je geweten hebt. Je schrikt wakker als je merkt dat je tranen door Thanatos gekust worden en niet door Eros, die het boeltje al heeft ingepakt en je geen keuze laat. Of je put je lichaam uit om het leven weer te laten stromen of ik vertrek en laat je met je geliefde dood lekker samenwonen.

Gelukkig is de depressie nog niet vitaal en kom ik bij mijn positieven als ik me opdruk en als een gek bergetappes luchtfiets, kilometers lang langs de kaden loop op een ontsukkelend drafje en mijn huis schoonmaak als een meditatie waarin ik mijzelf boen. Het helpt me bij het proeven van mijn woorden. ‘Ik wil dood, dus ik besta’ komt opeens zo cynisch over dat het me meelijwekkend puberaal voorkomt. Ik lach met de kiespijn van een boer om mijn dwaze Wertherdom, waarin ik sjans met mijn Thanatos als mijn Eros te weinig slaap krijgt en ik me daar kennelijk geheel en al bij wil neerleggen.

Lazarus richt zichzelf in mijn groener geworden ziel op en veegt de moed bij elkaar, waar mijn vloer mee bezaaid is. Eenmaal uit de ban van de magie van de oneindigheid van de reflectie op de zinloosheid van het leven, begin ik zowaar te schateren over de mens die de wereld niet aankan als hij hem zelf tot een complete duisternis heeft verklaard. Hoe je in een innerlijk gesprek kunt trappen, dat zich bedient van woorden zonder die te betwijfelen. Nooit kan iets in alle gevallen negatief zijn zonder dat je zelf aan dat realisme onderdoor gaat. Dat ondervinden de echte armen op aarde dagelijks aan den lijve, waardoor ze je zo toe kunnen lachen in al hun ellende.

Zoals het ook nooit in alle gevallen positief kan zijn zonder dat je aan dat idealisme de grond onder je voeten kwijt raakt. In een vleesgeworden kritisch rationalisme omarm ik de idee dat gelukkig geen enkele waarheid gedacht kan worden, omdat je er nog niets tegenin kan brengen. Wat je in je handen meent te hebben als zekerheid kan morgen alweer onzeker zijn. Dat biedt je alle vrijheid van de wereld om er wel of niet in te geloven. Van een geschrokken hoedje is God een zegswijze geworden dat je iets niet zonder verbeeldingskracht boven je pet op zijn plaats en in zijn tijd kan houden. Zo Thanatos en Eros met elkaar verzoenend in een levenswil, waar de dood een puntje aan kan zuigen.


In een oogopslag zien ze melkwitte tranen de druiven bevruchten

‘Krijg nou wat’, roept het rode ik, die in een linkeroogopslag ziet dat het hersenvlies een melkwitte traan laat. Het blauwe ik staart met het rechteroog naar het wonder van de terugkeer van de druiven uit de moes. Een wit goedje lijkt daar de oorzaak van te zijn.

Ze kijken elkaar verbaasd aan. Voor het eerst is er oogcontact zonder dat ze elkaar in de haren vliegen. ‘Onze hersenen lekken’, zeggen ze beiden bijna eenstemmig tegen elkaar, ‘waar zou dat goed voor zijn?’.

‘Kun jij zien waar het precies vandaan komt?’, vraagt het blauwe ik rillend van het idee dat hun schedeldak ontdooit en ze straks in de vrieskou van de buitenwereld omkomen.

‘Het komt uit de cirkel van Willis, die bij de kruin lijkt te lekken’, zegt het rode ik op basis van zijn kennis van de bloedsomloop in de hersenen.

‘Hoe kan dat nou, dan zou het toch bloedrood moeten zijn?’, vraagt het blauwe ik, benauwd dat het afgelopen is met hun bestaan als een van de buitenwereld afgesloten innerlijke samenleving in een iglo voor hen alleen.

‘Ja, inderdaad, of zouden onze ogen er melkwit van maken?’ filosofeert het rode ik opgewonden van deze wonderbaarlijke transsubstantiatie van zijn gedachten aan een verzoening waar hij zo naar verlangde.

‘Wat nu’, bibbert het blauwe ik, ‘straks verdrinken we in ons eigen bloed dat melk is geworden vanwege een algehele smelting van ons lichaam. Hebben we misschien een profetie gemist door ons bekvecnten’?

Met ‘Stil, ik meen dat ik Bjorn hoor lachen’ denkt het rode ik zijn blauwe evenbeeld te kunnen kalmeren, dat nu toch echt aan het doorslaan is. Het werkt niet helemaal zoals hij dacht dat het zou werken, maar het pakt wel goed uit. Al had hij niet verwacht dat zijn mij zo snel van een koude kikker in een bange stengel zou veranderen.

‘Ik wil het ook hopen’, stamelt het mij als een trillend rietje en van de weeromstuit smeekt het als een zich dood geschrokken kindje om hulp van zijn verguisde ik.

‘Ach arme mij, wees niet bang, wat kan ons nou gebeuren (?). De druiven worden weer wat ze waren, een mooie glanzende tros, en de melk ruikt beslist niet zuur; eerder honingachtig. We gaan een beloofd land in dat nog nooit bewoond is en waar altijd de zon zal schijnen zonder dat het in het water ons nog uit elkaar kan drijven’, praat het ik zich ontfermend over zijn mij in de mooiste woordverbanden.

Met ‘Ik vertrouw op jouw ogen’, sluit het mij de zijne en wacht kennelijk gerust gesteld af wat er gaat gebeuren. Geheel verguld met zijn nieuwe status als baken in hun onstuimige zee roept het rode ik Bjorn als een bevriende verlosser aan.

‘Bjorn, als jij het bent, geef dan een teken dat de druiven niet meer zuur zullen zijn voor ons. Dat we samen van de trossen kunnen proeven en weer als één geest wakker worden uit de nachtmerrie dat we bijna schizofreen waren geworden van het elkaar niet meer gunnen om samen te leven, te genieten van de vruchten in onze hersenschalen en met jouw dat genot te delen. Kom gerust ons huis van vlees binnen. Het zal ons ontdooien en jouw een plezier doen dat je van harte welkom bent.

Alsof een harde noot gekraakt wordt, hoort het ik Bjorn door hun schedeldak komen. Dat wil zeggen, het geluid doet dat vermoeden.


inzijnhemd

De man was helemaal overstuur. Wat moest hij nou doen. De Politiek was zijn naam en tevens zijn vakgebied. “De kiezers zijn verdeeld over de democratie. Ze kunnen elkaar zelfs niet uitstaan en zouden het liefst de ander de hersens in willen slaan. Uit machteloosheid stemt ruim eenderde tegen de overheid, die maar niet wil deugen. Omdat de staat meer oog zou hebben voor de ander dan voor hun lot.”

“Ja, het is toch wat. De mensen denken dat de overheid tot alles toe in staat is”, grapte ik.

“Nee zeker niet”, beaamde hij meteen, “”De gekozenen zijn verdeeld over de verstandigsten. Ze hebben nauwelijks meer een pet op van de ander en horen het liefst zichzelf. Uit meningloosheid verdedigt ruim tweederde een overheid, die het volk verwijt niet te deugen. Omdat het volk meer oog zou hebben voor zichzelf dan voor de ander.”

“Inderdaad, normen en waarden, daar draait het om”, probeerde ik hem op te vrolijken. “Als iedereen eenmaal deugt, dan hoef je niet meer zo te oordelen. Dus terug naar de tijd van Mozes en opnieuw het volk beschaven met De Wet in de hand. Dan speelt de overheid maar even voor God.”

“Maar in een parlementaire democratie wordt geen staatsapparaat gekozen, wel de contrôleurs,” piepte De Politiek.

“Ja ja, zoals het leven zelf geen keuze is, wel de contrôle.”, vervolgde ik het vrolijke van de hoed en de rand weten.

“Precies, De Politiek staat bij levensvragen nu eenmaal in zijn hemd. Of om het poëtischer te formuleren:

Geen brood
geen been
om op te staan
zonder armen”, droeg De Politiek plechtig voor.

“Geen armen
geen hoofd
om boven te staan
zonder benen”, bleef ik de humor erin houden.

“Geen lust
geen noodzaak
om ons te verstaan
zonder hoofd”, treurde De Politiek.

“Rompen hebben nu eenmaal een hekel aan politiek. Ze hakken liever al die uitsteeksels af, dan dat ze zich daarvan zouden bedienen. En als u geheel alleen in uw hemd staat, zou ik zeggen, laat u gewoon kruisigen en u zult zien dat als u daar eenmaal hangt, er iemand op zal staan die u aantrekt”, gaf ik hem nog mee.


werther bbbb

In het voorjaar van 1970 ging Sirius op bezoek bij zijn oudste broer, die dominee was geworden in Oudega en zijn vrouw die er de luit leerde spelen. Op zijn heenreis besloot hij in Utrecht te overnachten.Hij boekte een kamer in het Hotel Terminus, waar hij op zoek ging naar het adres van f.  Hij had deze student wiskunde op de algemene vergadering van de FSWH gezien en hem herkend van een foto in Hitweek; een leslokaal vol kussenvechtende naakte leerlingen. Hij was bloedgeil op hem en moest hem aan de haak slaan, maar wist niet waar hij woonde. In de kaartenbak van Kargadoor, waar hij bestuurslid van was, trof hij na inbraak zijn adres. Hij schreef p., b. en g. (een bijzonder knap uitziende student medicijnen die helaas alleen op p. viel) elk een brief uit Oudega op het papier van het hotel.

P. schreef hem terug "lieve (m.), je drie brieven uit oudega hebben verschillende reaksies losgeslagen. ik heb er slechts 2 gelezen, lieve g. ook. (hij is erg lief geweest toen jij weg was en ik ziek werd). b. was kwaad op je dat je met f. geneukt had. in mijn brief stond dat je bij hem had geslapen. wanneer sliep je in terminus? jouw reis naar oudega is voor mij één raadseltocht. je brief kwam aan als een bericht van een verre vreemdeling die verwarring wil zaaien." Sirius had ook nog geschreven dat hij naar Greonterp was gefietst, de volksschrijver G. in zijn tuin had gezien en over zijn getuite lippen toen hij naar hem glimlachte. Hij liet in het midden hoe het afliep. Maar dat b. kwaad was geweest dat deed hem goed.

Die jaloezie stak ook op toen Sirius met meisjes rotzooide en toen hij vertelde op een andere f. verliefd te zijn. Deze beschreef b. later als de huisdictator Adolf in Links!. F. was een blonde Jezus, die zo op je in kon praten dat je ging zwijmelen van zijn niet te stuiten mond. B. was ook zwaar onder de indruk van de meer filosofisch onderlegde en letterkundig breder georiënteerde orator dan hij zelf was. Sirius voelt nu nog de warme dij van f. als ze ’s avonds moe van hun maatschappelijke betrokkenheid thuiskwamen en ontspanden met een blowtje op bed onder genot van The Band die in volle sterkte door de kamer schalde. Later zou b. nog een verhouding met k., de vriendin van f. krijgen en met leedvermaak aanhoren dat Sirius een blauwtje bij de f. van Adolf had gelopen. Toen was de vriendschap al verbroken.

In een zeer vertrouwelijke brief aan Sirius in 1974 nodigde b. hem uit om over die breuk te praten. Hij had uit gierigheid de groep verlaten, die ze met p. (grafisch kunstenaar en pedagoog, jeugdvriend van f.), l. (een voor huiselijk geweld gevluchte naaldkunstenares uit Amsterdam) haar kinderen m. en d., en de f. van Adolf hadden gevormd. Ze hadden samen een huis in de Koningstraat in Leiden Noord gekocht en betrokken om zich toe te leggen op kunst, wetenschap en literatuur. F. was ook degene die hun enige vrijpartij verstoorde, toen ze in het huis van p., de kunstenaar, voor het eerst met elkaar in bed lagen.

sitterbrief
op kladjes van wat sirius terug wilde schrijven leest hij nu "natuurlijk wil ik graag met je praten, maar dan met hart en ziel en niet langer in gezwollen klaagzangen van een oude werther die maar niet klaarkomt met zijn zelfbeklag." hij had hem voorgehouden dat hij zich in de steek gelaten voelde door hem. "de verklaring die je zoekt, begint voor mij bij je vertrek, boud!" sirus herinnerde hem op zijn kladjes aan zijn lafheid om de confrontatie uit de weg te gaan toen ze het oneens waren over zijn eis om een flink potje geld exclusief voor zijn reizen te behouden, die hij voor zijn genezing nodig zou hebben. "het is toch te banaal voor woorden, boud, dat je toen je kamer sloot, waar onze eettafel stond, en het verrekte om nog met ons te praten?"

Dat hij hem zo hoog had zitten, gebruikte Sirius om hem eens de les te lezen. "die jaren van goedheid zijn pas nu echt aangebroken. Voor mij is de tijd afgesloten dat we rond blijven draaien in het zoeken naar die ene, die je alles kan geven. Dat soort consumptieve liefde is een fetish. Ik neem daar geen genoegen meer mee. Ik zoek liefde die tot productie leidt." In aantekeningen leest hij "van de liefde van p. ben ik vervreemd. Ik zoek geen intieme relaties meer om elkaar te steunen voor een optimaal gevoelsleven", "p. deed veel te veel zijn best om beter tegen zijn depressies te kunnen als ik hem jaloers maakte", "ik heb het gehad met exclusieve aandacht aan iemand geven" en "de Gemeenschappelijke Onderneming Dienen biedt meer kansen op een nog beter leven dan we hadden".

God, leest hij nu, liet me dus ook toen niet los. Zou ik echt zo met hem gesproken hebben?, vraagt hij zich af. Ben ik eigenlijk wel op zijn uitnodiging ingegaan? "Alleen als je maatschappelijk naar onze relatie wilt kijken, is zo’n gesprek zinvol." staat er deftig op het zoveelste blaadje waarin hij zijn gedachten ordende om een gaatje te vinden voor het opkalefateren van een vriendschap die van zijn kant op vertedering berustte en voor b. op de onvoorwaardelijke bescherming die Sirius tot aan die breuk hem bood.
 
NB
 
Deze feuileton is nu verkrijgbaar in een album met meer afbeeldingen en duidelijker facsimile dan hier konden worden geupload bij:
 

http://dedrukkerij.mijnboekhandelaar.com/


DELAY OUR LOVE DELAY
OUR LONGING FOR A DAY
WHEN HE WILL STAY
AND BE OUR SHINING RAY
 
(Choir)
We need Time and Space
Room for The Tree of Love
We go for a Big Necklace
And refuse any other Stuff
 
Crazy Saints are marching on
“our love will getting strong”
resembling all their emotion
waking up a sturdy will to belong
making them feel sure about sex
that there’s more than the girl next
door, that there is a bond of love in war
unconcious for what both wants more and more
 
We need Time and Space
Room for The Tree of Love
We go for a Big Necklace
And refuse any other Stuff
 
When a women wants to spend
the time alone with her deer friend
whom she needs like a hungry lion
who can refuse such blessed invitation
She will take her bath before the dawn
of time is teared by his stiff hot iron
She will make a gasp in her prawn
recites a poem of her Lord Byron
 
We need Time and Space
Room for The Tree of Love
We go for a Big Necklace
And refuse any other Stuff
 
She who cares about our need
to have a man who loves her fire
will she accept our beloved sheep
will that be enough for her to retire
consuming the stuff in a holy dream
between water and water as she is seen
to symbolize the endlessness of her desire
come on baby let’s fuck for The Only Prior
 
We need Time and Space
Room for The Tree of Love
We go for a Big Necklace
And refuse any other Stuff
 
Look forward girl there will be a better life
when once he feels no more the knife
as a killing string around his bully balls
like he is explaining you in so many calls
who do’nt cares about spending time alone
she spoke out and loud who were her only one
and she’s already made up her mind
You Both Are The Stuff Of A Whole Mankind.
 
We need Time and Space
Room for The Tree of Love
We go for a Big Necklace
And refuse any other Stuff
 
tree of love
 
 
 
all my friends told me she was too hot
all my friends told me she acts like god
well i knew that myself and i tried to run away
well i knew that myself and i tried to stay that way
 
but the faster i ran the more i fell behind
but the faster i ran the more i lost my grind
because she’d already made up her mind
because she’d already moved on to find
 
now there is nothing so deep as the ocean
now there is nothing so high as the mountain
 
and there is nothing so far as the sky
and there is nothing so fast as my fly
and there is nothing so unwavering as a woman
and there is nothing so absorbing as a man
 
when she’s already made up her mind
when she’s already sitting on her behind
 
now she’s at one end of the kitchen table
staring without an expression to a newscable
talking to me without moving her eyes
saying she loves the whom who dies
something about going home with the flies
and she said something about going home
something about needing to spend some time alone
 
and she said something about needing to spend some time alone
and she wondered out loud what it was she had to find
and she wondered out loud what it was she had to find
but she’d already made up her mind
but she’d already made up her mind
so my friend carry me down to the water’s edge
so my friend carry me down to the water’s edge
 
and then sail with me out to that ocean deep
and then sail with me out to that ocean deep
and let me go easy down over the side
and let me go easy down over the side
and remember me to her
and remember me to her
 
she’s already made up her mind
she’s already made up her mind
she’s already made up her mind
she’s already made up her mind
she’s already made up her mind
she’s already made up her mind