Post Tagged ‘hermes’


De prenten met de schone jongeling bevallen Susanna stuk voor stuk. Ze moet echter kiezen welke haar het meest aanspreekt voor een gewenste verhaallijn. Stiekem kijkt ze in het derde stapeltje en ziet dat daar iemand door het struikgewas zich een weg baant. Dan ga ik voor de Verlosser, besluit ze op basis van de nieuwe afbeelding en fantaseert dat de haren van de jongeling door brandende koeietongen in een strakke helmvorm gelikt zijn waardoor hij op Hermes lijkt; van oorsprong een fallische god uit het herdersland Arcadië, waarvan veel inwoners uit armoe elders huursoldaat werden.

Een goede keuze, want achterop die afbeelding wordt verteld dat de jongeling plots een schreeuw om hulp hoorde. Door overlevering is echter een raadsel ontstaan, omdat de verhalen elkaar tegenspreken. In de Babylonische versie wordt gesproken van een roep om Daniël, een volksjongen die de gave van helderziendheid wordt toegeschreven. Volgens deze bron zou de schone jongeling door de geest van deze Daniël bezeten zijn, die hem vooruit zond om de boel te verkennen. In de Joodse versie zou de rechter in de struiken zich voor Daniël hebben uitgegeven en onder een valse naam het snode plan een eigen draai hebben gegeven.

Voor de prent zelf doet het er niet toe. Hermes, Daniël, een rechter met een valse naam of een jongen zonder naam, het zijn allemaal boodschappenjongens die ons het verhaal van de goden willen overbrengen, besluit Susanna. Want het personage stevent met of zonder duidelijke identiteit toch duidelijk af op de plaats des onheils met de blik constant gericht op de schone dij met gebogen knie van Susanna, die uit het water steekt. Tot Susanna op het negatief ziet dat boven de uitgestoken knie een groot hoofd met open mond naar de dij staart.

Het hoofd lijkt tegen een ander hoofd te praten, meent ze te ontwaren. Naarmate ze het negatief bestudeert, ziet ze meer ogen en monden. Het lijkt wel alsof men aan beide zijden van de prent in rep en roer is. De linkerkant zit vol figuren die protesteren over dat wat aan de rechterkant gebeurt niet met de waarheid strookt. De helm van het personage is nu wel duidelijker zichtbaar, zoals dat ook het geval is met waar het oog naar kijkt. Susanna ontdekt door zijn blik te volgen dat de Verlosser niet zozeer geobsedeerd is door de dij alswel door het grote hoofd dat om zijn hulp lijkt te roepen. Ze verdiept zich zo sterk in de prent dat ze de werkelijkheid uit het oog verliest.

Ze hoort waarover ze praten. Het grote hoofd meldt dat de schoonmoeder van Susanna, die getrouwd was met de meest vooraanstaande Joodse balling in Babylonië, kopje onder was gegaan. Een kaaiman zou haar bij de romp hebben vastgebeten en haar naar de diepte sleuren. Ze kan slechts nog piepen dat twee ouderlingen de vijver hebben betoverd. De rechters dus, concludeert Susanna. Voor de zekerheid kijkt ze even op de achterkant van de prent en jawel, daar staat dat ze in de Noordnederlandse Historiebijbel ‘twee oude papen’ worden genoemd die tot rechter benoemd waren.

“Na hun dagelijkse zitting in het huis van Jojakim, zagen ze de bloedmooie Susanna in de tuin wandelen en toen kregen ze ‘becoringe op Susanna’. Ze hadden echter haar schoonmoeder niet opgemerkt die een bad nam in de vijver van de tuin. Zij stuurde de dienstmeisjes naar het huis voor olie en balsem. Deze sloten de tuinpoort achter zich. De glurende ouden zagen hun kans schoon. De een had zich vermomd als kaaiman en de ander als een wandelende struik. Samen gingen ze op Susanna’s schoonmoeder af.”

Susanna neemt de loep erbij en ziet dat haar naamgenote inderdaad niet in de vijver ligt, maar in de linkerbovenhoek met ontblote borsten toekijkt. Verrast door deze draai in het verhaal kijkt ze nog eens extra oplettend naar de schoonmoederfiguur en ziet nu twee benen met op het rechterbeen een hoofd dat de kijker verbeten aanschouwt. Wordt daar iemand over de knie gelegd voor een flink pak billenkoek?, vraagt ze zich af. Dat zou zomaar kunnen, want alle prenten bevatten meerdere verhalen.

Op een los velletje leest ze dat beide oude heren de schoonmoeder bekenden, die zij voor Susanna aanzagen, dat zij ‘branden van lust’. De ene voegde de daad bij het woord, maar zijn nepkaken konden haar niet onder water houden. De ander knielde deemoedig en had dat beter niet kunnen doen. In de Noordnederlandse Historiebijbel leest ze daarna: ‘Anxt hevet mi ombevangen. Doe ic dese sonde, so vertoren ic Gode. Ende doe ict niet, so sel ic mijn lijf verliesen’. Wat nou?, verbaast ze zich, sprak een van die oude papen deze gevleugelde woorden of de schoonmoeder zelf of toch Susanna?


hermesjong

Van de boodschappenjongens was Hermes de stoutste. De Griekse boodschapper van de goden verdween helaas met de komst van het christendom van het toneel, omdat hij zich niet liet voegen in het script van louter engelen aan Gods kant en louter kwade geesten aan de kant van Satan. De goddelijke schelm droeg immers beide zielen in de borst, waardoor goed en kwaad in hem samenkwamen. Terwijl de christenen net de geweldadige God uit het Oude Testament hadden gescheiden van de liefdadige God uit het Nieuwe Testament.

Hermes was als innerlijke gids van de menselijke ziel te zeer voor hen een plaaggeest, die uit zou zijn op misleiding in plaats van verlossing. Voor wie zonden als doornen in het vlees staken, was hij niet de boodschapper waar men blind op kon vertrouwen dat het allemaal wel goed zou komen met de mens. Het christendom wilde per se nare voorvallen uitsluiten. Haar handelsgeest zocht en vond dergelijke waarborgen; en wel in de hand Gods. Onverwachte gebeurtenissen kregen het teken dat er wat mee gezegd werd voor de goede verstaander, namelijk degene die blind in hem geloofden.

Een min of meer synchroon samenvallen van goede en kwade gebeurtenissen kan ook de christenmens echter niet uitbannen. De realiteit bestaat daarvoor te zeer uit toeval, waarin de oude Hermes de hand lijkt te hebben. Zinvol toeval, de literatuur kent veel van dergelijke verhalen. Ze hebben de taal verrijkt met spreekwoorden, die als waarheid de ziel vermaken. Van een gelukje bij een ongelukje tot als je het over de duivel hebt, trap je hem op zijn staart. Men voelt zich behoed door het geluk dat men toevalt, wetende van de hoogmoed voor de val.

Paranormaal lijkende voorvallen krijgen in steeds meer boeken een sacrale betekenis, die de wereld ten diepste bijeenhoudt. Springende waterleidingbuizen in een koopwoning worden door de aspirant koopster ervaren als teken dat het huwelijk met haar man ondraaglijk is geworden en dat ze daar bijtijds op geattendeerd wordt. Al is het verhaal nog zo gelaagd met twijfels over het waarheidsgehalte van de menselijke ervaring.

Synchroniciteit doet ons, door de gedateerdheid van ons brein, de werkelijkheid nu eenmaal gemakkelijk ervaren zoals de oude Grieken zich de zin van alle gebeurtenissen verbeeldden. Moderne mythen en magie spelen zich af in bibliotheken, wachtkamers en bushaltes, waar het je kan overkomen dat je je verdiept in een boek over de magie van het toeval, waarin Hermes als verborgen geest figureert, terwijl tegenover je de ander zich vermaakt met een satyre op de hedendaagse comeback van Hermes. Alsof de boodschapper tegelijk met een zinvol toeval wil aangeven dat je hem niet al te serieus daarin moet nemen. Zoals grote schrijvers als Reve de lezer kan aangrijnzen.

In Ein Gott der Frechheit laat Sven Nadolny Hermes als God van het Kruis en de Nacht, en die van de Dieven en van de Kooplui, weer eens de held spelen die hij ooit voor velen was. Hij beschrijft hoe Hermes 2000 jaar geleden door de kreupele Technologie-God Hephaestus aan een krater zou zijn vastgeketend, tot een aardbeving in het voorjaar van 1990 hem van zijn boeien bevrijdt en hij zich in de armen stort van Helga, die op kruisvaart is. Samen oplopend mijmert hij over de zin van de afgelopen 2000 jaar veranderingen, die de mensheid religieus geen snars wijzer hebben gemaakt.

Sinds deze roman duikt de Griekse boodschapper van God steeds vaker op als figuur in verhalen en filosofische verhandelingen. De god van de sprong, de snelle greep, de gelukkige vondst en de brutaliteit steekt zijn kop weer boven het water van de moderne tijd en zoekt naar ons als zijn dorstige publiek. Zijn alter ego is een witte tijger geworden, die als een vis in het water dolt met het vlees dat de eng slanke Hermes hem treiterend voorhoudt, terwijl hij zijn staf met de twee slangen in aanslag heeft, en hem tracht te lokken in zijn bevroren domein met het neuriën van een stokoud kinderliedje:

Poesje mauw, kom eens gauw,

ik heb ’n lekker stuk vlees voor jou!

En voor mij, een vork erbij.

O, wat heerlijk smullen wij!

(aflevering 4 van een steeds langer gerekt essay over het samenvallen van literatuur en religie)


boodschappergoden

Dat literatuur en religie in het begin van alle beschavingen samenvallen komt door de boodschappenjongens. Als hele of halve goden zijn ze over de tong gegaan, totdat hun verhaal opgetekend werd door veelal anonieme schrijvers op basis van losse teksten. Het epos van Gilgamesj is daar een schitterend voorbeeld van. Dit heldendicht berust op losse verhalen rond diverse figuren die in het begin van het 2e millennium v. Chr. aan elkaar door werden verteld en los van elkaar werden opgetekend, waarin over ‘Bilgames’ werd gesproken en zijn alter ego Enkidoe. Men vermoedt dat de schrijvers kopieën van teksten uit de periode van de laatste opleving van Sumer hebben gebruikt, ongeveer 2112 – 2000 v. Chr. Ook is de 2e helft van een ander epos “Bilgames, Enkidoe en de onderwereld” er enkele eeuwen later aan toegevoegd.

De verhalencyclus bestond in de 18e eeuw v. Chr. al als een samenhangend epos op 5 tot 8 kleitabletten en omvatte 2000 verzen met als titel “Sjoetoer eli sjarri” (hoog rijst hij op boven alle koningen). Rond 1200 v.Chr. volgde er een eindredactie en kreeg het de titel “Sja nagba inoeroe” (hij die alles gezien heeft). Het verhaal van de grote vloed zou pas tijdens deze laatste redactie aan het epos zijn toegevoegd. Er bestaan oudere verhalen over de vloed in het Sumerisch en oud-Babylonisch van circa 2800 v.Chr., twee eeuwen voor Gilgamesj, zoals in het Atrahasis- epos. Dit oeroud Babylonisch epos verhaalt net als de Bijbel over de zondvloed en begint met een vers over goden die het zware werk doen en hoe dat leidt tot de schepping van mensen voor het dragen van hun lasten.

Oer-werkgeverschap

 

Toen de Goden het werk deden

en in de plaats van de mensen

de lasten droegen, ontstonden wensen

als konden we maar arbeiders kneden

 

Aan de hogere goden, de Annunki

die de mindere, de Igigi, toen al

het werk lieten doen, stelde Enki,

de god van de onderaardse waterval,

 

voor om mensen in te zetten

en schiep met moedergodin Mami

het voetvolk bekend van hun latere petten

tot Enlil, de god van de aarde, de hardere herrie

 

niet langer verdroeg van het gepeupel

en een zondvloed stuurde volgens hun gereutel.

Het universum is in het vaak opnieuw geredigeerde verhaal verdeeld over de god Anum die de hemel bestiert, de god Enlil die de aarde regeert en Enki de god van het onderaardse water. De vrome arbeider Atrahasis zou een rieten ark hebben gebouwd, zodat hij, zijn familie en enkele dieren de zondvloed overleefden.

Wat geschreven staat, is veel later heilig verklaard. Toen men het schrift ging lezen op zoek naar informatie voor het leven voor en na de dood. Dat kan algemene wijsheden betreffen als ook instructies over hoe je leven moet, maar vooral de kennis aan wat waar is; waar je ziel door wordt aangesproken, de boodschappen van de goden. Deze werden ontvangen door half-mythische, half-historische figuren zoals Gilgamesj en pas eeuwen later vastgelegd.

De teksten gaven de mensen een voor hen uitgepuzzelde blik op het verleden, het heden en de toekomst. Het lezen deed de werkelijkheid opnieuw geboren worden, zoals dat bij een goed boek altijd het geval is. Al vrij vroeg in de beschaving van de wereld nam het boek je mee zoals muziek dat met je kan doen, waardoor de geest zo op drift kan raken dat we spreken van piekervaringen.

Geluksmomenten, waarin je het gevoel hebt dat alles helder is, een geheel is en dat niets meer voor je bedekt is.

Vaak is zo’n heilige schrift van oorsprong poëzie, waardoor zowel de overdracht als de leeservaring dusdanig wordt versterkt dat de piekervaring langdurig wordt. Men is veranderd door het boek, bekeerd tot de boodschap, waar men geen genoeg van kan krijgen om deze steeds te herhalen, binnensmonds dan wel luidkeels. De piek zelf wordt als een hogere bewustzijnsstoestand ervaren, vanwege een extatische belevenis waarbij men zich een voelt met de wereld, in harmonie met de natuur en verbonden met een hogere werkelijkheid. De mystieke aard van deze ervaringen wordt vaak in het boek zelf verwoord door de hoofdfiguren, maar zijn nauwelijks door de aangeraakten in eigen woorden uit te drukken.

Hoewel de hedendaagse psychologie ze tot een natuurlijk verschijnsel herleidt, zijn het van oorsprong religieuze ervaringen. Men kan ze terugvoeren op de gevoelens van zelfverwerkelijking van uitzonderlijke profeten en zieners, die in alle bekende “hogere religies” de dienst uitmaken. Zij waren de eersten die euforisch waren over hun inzichten, intens geluk en welbevinden ervaarden bij wat ze meenden aan te raken of door aangeraakt te zijn. Emoties die gepaard gingen met de sensatie van een transcendente eenheid in de werkelijkheid, welke kennis aan een hogere waarheid teweegbracht zonder daar meteen een kopie van te kunnen geven. Niet de rede van een daadwerkelijk waargenomen ander Zijn vervulde hen, maar het gevoel de gehele wereld vanuit een totaal ander en veel ontzagwekkender perspectief te mogen zien dan ooit. Het zijn plotselinge ervaringen, zoals de (h)eureca, die verwekt worden door diepe meditatie of die zich door intense gevoelens van liefde manifesteren dan wel door de beleving van diepe aanrakingen door kunst of muziek of de overweldigende schoonheid van de naakte of juist de aangeklede natuur.

Voor dergelijke ervaringen kunnen taal en teken profaan zijn, zoals de eerste tekeningen die vrouwenfiguren en gestalten van dieren laten zien. Zonder dergelijke bekraste stenen, bomen en papier hadden we echter geen enkele code. Was het niet mogelijk te reconstrueren hoe we geworden zijn, toen ons DNA de trekken van een mens kreeg. Het DNA, de enige code buiten het boek dat de waarheid bevat, laat zich nog niet lezen als geschiedenis. Het zal net als ons brein een denkkader nodig hebben om als graal begrepen te worden, een interface om goden te verstaan.

Interface

 

Men zegt dat wij

slechts ons brein zijn

en dat de wereld ons pijn

doet via een chemische brei

 

in de grijze massa die het

innerlijk behang bedekt met

de kleurstellingen in het palet

zoals ’n diamantair ’n juweel zet.

 

De ambacht van de mens als soort

om van het leven iets te maken

gaf ons van binnen kaken

voor het kauwen op het woord

 

dat ons pas voedt als een Nabu het verklaart,

het hemels gezicht dat tussen mens en god staart.

*)

Nabu, die als de planeet Mercurius in het heelal vertegenwoordigd wordt, was een boodschappergod; een aartsengel avant la lettre. Hij bemiddelde zoals Hermes, de zoon van oppergod Zeus en de bergnimf Maia, tussen mens en god en bezorgde de boodschappen van de goden bij de mensen op aarde. In die hoedanigheid was hij tevens de god van het schrift.

Zijn naam klinkt in het Hebreeuwse woord ‘nabi’ door, wat zoveel betekent als ‘profeet’, ‘waarzegger’, ‘ziener’ en ook verwijst naar ‘boodschappergod’, die in alle godsdiensten voorkomt als degene waar god tegen heeft gesproken. Die titel keert ook terug bij de benoeming van de islamitische profeet met An-Nabi.

Naast de hierboven afgebeelde Nabu en Hermes staat Gilgamesj, die in zijn Babylonisch epos Enkidoe wanhopig vraagt wat de goden in zijn dromen aan boodschappen willen doorgeven. Allen kosmologisch aanwezig in dezelfde tijd, maar op een andere plaats op aarde al was deze dicht in elkaars buurt.

(wordt vervolgd)