Post Tagged ‘leven’


Gezongen diagnose z

Ze hadden hem betast, beklopt en bekeken. De bodyscan wel tig keer vergeleken met al die anderen in hun bestand. Die ontevreden zijn over de aard van hun kraam; zich niet thuis voelen in hun lichaam. Er was helaas niets met hem aan de hand.

U bent te saai voor ons, zong de eerste stem. De tweede galmde er dwars doorheen dat hij veel te gezond was, zeker voor ouderdomspleen. Wij ontraden verder onderzoek met klem. Het tikje tegen zijn billen vond hij op zich wel aangenaam. Maar over zijn existentiële onvrede deden ze hem te minzaam

Geletterd geweld, godlasterlijk getier, gillend geschreeuw, trok als een kudde wilde dieren door hem heen. Weer werd hij afgescheept met een nauwelijks onderdrukte geeuw. Zonder pardon teruggezet op het verkeerde been. Gezondheid als zorg wat verwach je? Stop al die heibel om je hachje.

Thuis geeft hij zijn barbiepoppengeest een draai om de oren voor wat zij vreest. Aan haar lijden ergert hij zich nog het meest. Opnieuw was al zijn gedruis voor niks geweest. Was zijn weemoed terug bij af. Luidde de klok de doodstraf. Als zesjarig meisje door het leven willen gaan, slurpte al het licht op van zijn zestigjarig bestaan.

Opeens moet hij lachen om zo’n kinderwens en dat deze zichtbaar zou zijn door hun lens. Iedere cel kent een nieuw begin, maar dat geeft op zich aan de natuur geen zin. Nergens tekenen om het te berekenen Trouwens, voor welke duur vindt hij zo gauw een adoptiegezin en hoe staan zij erin.

Een beest, een berg, een boom, ze kennen geen betekenis, het is de hele natuur een worst. Ze hebben niks met zo’n droom. Zij maken zich niet druk om de zin van hun korst. Door de vanzelfsprekendheid van het voortbestaan is hun levensloop vanaf het prille begin al een ronde baan.

Wat een leven heb je als mens, als je kooi bepaald wordt door een leeftijdsgrens.


Indruisen

Alweer een weekje lukt het niet zonder pijn te tekenen. Toch wil ik een blog maken en heb snel iets in elkaar geflanst als illustratie van wat me al een tijdje bezig houdt. Dat de werkelijkheid, vaker dan we ervaren, indruist tegen waar we zo zeker van denken te zijn.

Het fenomeen dat je gewoonweg je ogen niet gelooft, is iedereen bekend. We zijn nu eenmaal overtuigd van ons kijkglas waarin alles is zoals we denken dat het is. Maar eigenlijk is dat zelden het geval.

Zoals een zeehond van ver af, eenmaal dichterbij, het opgezwollen lichaam kan zijn van een radeloze man die zich heeft verdronken. Terwijl jij nog dom ginnegapt, dat de waterpolitie nu ook al zeehonden in hechtenis neemt.

Opeens valt wat je zag in duigen. Je wordt geconfronteerd met een ontkende werkelijkheid. Dat doet de gewende werkelijkheid voor je en die kan als een wetboek op alle bladzijden overtreden worden.

Als dat op een wat grotere schaal gebeurt, dan raak je in paniek. Je schreeuwt bijna dat dat niet kan. Alsof de werkelijkheid niet bestaanbaar kan zijn, niet mogelijk is en dus niet waar kan zijn. Je knippert gelukkig vanzelf met je bedrogen ogen en ziet dat het wel degelijk is zoals het is. Dat je eigenlijk voor niets bang bent geweest.

Niet dat je voortaan altijd op je hoede bent voor zinsbegoocheling, maar toch.. Het onbevangen zijn is een gewaarschuwd mens geworden, filosofeer je wat voor je uit. Weer tot rust gekomen schrijf je er een gedicht over, dat het terugbrengt tot een alledaags verschijnsel. Al is de schrik er niet minder om. Het ontkennen van de realiteit is vaker amusant dan genant.

 

Indruisen

Bomen waaien woest door elkaar
slopen met hun kruinen de steigers
van de nieuwbouw tegenover de flat
waar wolken op onaffe gevels samenscholen

Een man fietst een auto dwars doormidden
rakelings langs het hek op je balkon
onder de steigers de halve huizen binnen
en verdwijnt plotseling geheel uit het zicht

Luid kletsende vrouwen laten onaangedaan
gillende kinderen over zich heen lopen
zwaaiend naar kennissen die aan hen
zonder op of omkijken voorbijgaan

Een motor rijdt met hoge snelheid recht op je af
verdwijnt bijtijds maar passeert in volle vaart je toch
verstijfd kijkend naar het spiegelende glas van de half open deur
waarin de werkelijkheid voortdurend van alle kanten overtreden wordt.

.

.

.


Mantelinge 2

Nooit meer oorlog
De oneindige schreeuw van Käthe Kollwitz
Honderd jaar geleden weer sneuvelde haar zoon Peter
Je proeft nog zijn as in het houtskool van haar tekening

Geen zier heeft het geholpen
Haar vele gedenktekens ten spijt
In steen, in brons, in ijzer en in koperen platen
Nog dagelijks sterven ze, zelfs kindsoldaten

De boom is het herdenken beu
Als oersymbool van het leven onder
Een halve krans van zijn meiboomneven
Heeft hij er tieten van gekregen

Hij protesteert in deze natuurlijke staat
Tegen de schijnheiligheid dat men er toch mee doorgaat


Zorgwoordvoerders

“Wij zijn zorgwoordvoerders. Ons laatste avondmaal was het NZa-rapport. Driemaal kraaiden we in gebarentaal over het ontslag van de klokkenluider. Tevergeefs, we moeten het land blijven regeren met leugens.

Graag hadden we het verlossende woord voor Pasen uitgesproken en onze nekken verder uitgestoken. Zodat de mensen in het land er een echt vrolijk feest van kunnen maken. Helaas, we weten nog niet wie we allemaal niet zullen offeren voor het zorgakkoord. Wel is de tekst allang volbracht.

Wij zijn eruit. Nu onze vrienden van de oppositie nog. Na de passie in een nieuw jassie, een weekend vol zon en meer toeristen dan we aan allochtonen kunnen tellen, verwachten we geen enkele weerstand meer. Iedereen is zo’n beetje meegezogen in de Heer, het Weer of het Verkeer.”

Volgens welingelichte kringen wordt dinsdag het geloof in een gezonde samenleving sacraal verklaart en daarmee zou in principe iedereen optimaal vitaal zijn om voor zichzelf en de ander te zorgen. Dan wel voor die heilige samenleving, zoals vanouds, zich spontaan te offeren als de mond eenmaal nutteloos is. Uiteraard is dit ter beoordeling van de NZa en wel als ezelsproef.

Het hele zorgbudget zou dan ook naar de ziekste schrijver gaan voor een compleet nieuw paasverhaal. Als hij geen zzp-er is en wonderbaarlijk geneesbaar.  Aldus de woordvoerder van die welingelichte kringen, Jamai Loman.


Onkreukbaar luidt de klok

Onkreukbaarheid is tegenwoordig zo schaars dat je van niemand meer standvastigheid verwacht.

Tot ik een portret van Jan Poot zag.

Prachtig gekreukeld houdt de hoogbejaarde ondernemer zijn strijd om gerechtigheid al 25 jaar vol. http://www.klokkenluideronline.is/2014/02/de-epische-strijd-van-jan-poot-belicht/

In zo’n doorleefde kop kan ik helemaal opgaan.

Het biedt een indringender landschap van betekenissen dan de iconografie van menig kunstwerk.

Het overstijgt alle tot de draad versleten klaagzangen over de slechtheid van mens en wereld, en alle lofzangen op de liefde, de schoonheid zelf of de grootheid van een idee of almachtige.

Hoe meer de wereld naar de klote gaat, hoe mooier de standvastigen worden die hun rug onafgebroken recht houden.

Idealen kunnen niet bederven, wel de vergankelijke realiteit.

Een standvastige overleeft zijn tijd.

Zijn principes zijn immers onsterfelijk.

Lang leve het gelijk van Jan Poot.

..


Levensplant

De mythologie gaf ons de levensboom. Voor de ene cultuur was het een heilige boomstam ergens in het huidige Duitsland. Opgericht om alles, de hele wereld en zijn dak, te ondersteunen. Voor de andere cultuur was het een boom in het Bijbelse paradijs. Diens vruchten zouden je onsterfelijk maken.

Opgegroeid zonder kennis van de heilige boomstam fantaseerde ik dat een afgebroken takje in onze moestuin van die paradijselijke levensboom afkomstig was. Ik zette het in een bloempot op het dak van ons huis. De vruchten ervan zouden je een ander leven schenken, was mijn overtuiging. De bijbelse uitleg beviel me niet. Het voordeel daarvan zag ik niet. Integendeel, het leek mij een groot nadeel om eeuwig dezelfde te blijven.

Een nieuw leven zou van mij een andere persoon maken met bij voorkeur een knapper uiterlijk en met name een kleinere neus. Die verandering zou in mijn verbeelding gepaard gaan met een verandering van de wereld. Hoewel ik genoegen wilde nemen met alleen een ander milieu. En uiteindelijk besloot ik dat mijn verlangen al vervuld zou zijn als iedereen in mijn directe omgeving van de boom zou eten.

In een droom bloeiden uit het takje ontelbare hemelsblauwe bloemetjes tot een heuse wolk. De bloempot veranderde in een kruik, die de wolk aan haar steeltjes vasthield. Al snel kwam onder de bloemen een bleke en veel oudere kop van mijzelf tevoorschijn. Geconfronteerd met mijn toekomstige uiterlijk smeekte ik jankend om een ander gelaat. Ik wilde er zelfs mijn verlangen naar een andere persoonlijkheid voor opgeven.

Mijn tranen werden door de kelkjes gulzig opgezogen en in de kruik verwerkt tot een meer acceptabel gezicht. Het resultaat leek sprekend op een meisje en dat beviel me zeer. Tot ik me realiseerde dat een jongensachtiger uiterlijk me nog de kans gaf te kiezen. Een tijdje als een man of als een vrouw door het leven gaan, leek me ideaal. Ik had de wens nog niet geuit of een derde gezicht kwam onder de bloemetjes vandaan. Dat was een schot in de roos, vond ik.

Over zo’n levensplant is echter niets bekend. Wat moest ik doen? Dat gezicht opeten? De hele wolk? Of alleen een blaadje? Of mijn gezicht ermee insmeren? Ik probeerde het laatste en werd wakker., maar zag niets meer. Ik ben blind, gilde ik. In een orthodox christelik milieu is zo’n alarm schokkend. Wat had die belhamel nu weer uitgehaald? Het complete gezin gilde dat het een straf van God was, tot mijn moeder opmerkte dat er korstjes op mijn ogen zaten. Afblijven, piepte ik.

De korstjes moesten er vanzelf afvallen, want dan kreeg ik het gedroomde gelaat. Het is gedroogde snot, jongen, fluisterde ze mij discreet in de oren. Ze depte met een vochtig washandje de korstjes weg en speelde alsof ik toch een ander gezicht had. Meer meisjesachtig zei ze. Maar toch nog wel een jongen?, vroeg ik ietwat benauwd. Ja, natuurlijk, stelde ze me gerust. Haar bedrog viel me verschrikkelijk tegen, toen ik in de spiegel keek. Het kleine uurtje dat ik in de waan gelaten was van een nieuw leven, verdampte geheel in de aanblik van mijn kwaaie vuurrode kop. Precies mijn vader als hij werd tegengesproken.


Bouwput 2 blog Moeder Aarde

De wereld blijft in de ban van je-weet-maar-nooit.  Zoals in de jaren zestig tijdens de Varkensbaai-crisis. Toen een atoomoorlog tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie dreigde uit te breken.  Thuis werd geroutineerd ingeslagen voor het geval de SU zijn raketten niet weg zou halen van Cuba. Ze waren geplaatst vanwege een invasie van bannelingen, die met steun van de  VS in april 1961 tevergeefs Cuba wilden ‘bevrijden’.

Het samen schuilen in de kelder leek me reuze spannend. Vier dagen lang hield de wereld zijn adem in. Helaas liep het vroegtijdig met een sisser af voor wie gehoopt had op een paar maanden geen school,  geen kerk en geen boodschappen doen. Wel had ik door deze crisis onder de vloer van mijn slaapkamer een eigen schuilplaats gemaakt. Daar heb ik me vaak verstopt als het weer eens hommeles was, omdat vader op zoek was naar mijn lurven. Niets is vermakelijker dan iemand die over de rooie is, boven je te horen ijsberen. Zijn woede ging vaak om niets. Een kapot gebeten gummetje was al genoeg om die te ontsteken.

Je verschuilen voor de ander is eigenlijk een vorm van recreatie. Je herschept je fysieke wereld in een geheime ruimte en volgt nauwgezet wat er buiten je cocon gebeurt.  Ondertussen vermaak je je met je stripboeken, hun tevergeefse zoektochten en het idee om nooit meer bovenvloers te leven. Nu het economische systeem vol tijdbommen op springen staat en in Vlissingen de kazematten gerestaureerd worden, werpt deze samenloop van omstandigheden de kans op een gigantisch onderduikadres in mijn schoot.

Voor wie ook op zoek is naar een schuilplaats, in het Keizersbolwerk in Vlissingen is nog wel een onderaards perceeltje over. Zie foto’s. Het vestingwerk dateert uit 1548 en kreeg in de Franse tijd de huidige vorm. De ingang vind je in de ‘Waterpoort’, de enige stadspoort die nog intact is. Bovenop het bolwerk staat Michiel de Ruyter. In de sokkel van zijn standbeeld zit een losse tegel, met daarachter een mangat naar de munitiekamer (nu in gebruik als dieseltankstation voor de Belgische loodsen). Halverwege zit een onderdeur met bel, waarachter de tunnel begint naar mijn schuilplaats.

Zelf gebruik ik een mangat in het schuurtje achter mijn huis. Het brengt me via een oud riool meteen op de plek waar ik al flink opgeschoten ben met het herstellen van de lingerie van Moeder Aarde.  In het schilderij kun je nu rondlopen. Alle grotten zijn voorzien van deuren, trappen, verstelbare pilaren en een leidingenstelsel voor vervoer van natte en droge waren. Het is nog lang niet af, maar ik schiet al aardig op.

Het paneel, dat hier wordt afgebeeld, zit rechtsonder in het meest toegankelijke schilderij van de wereld. Je ziet dat het er al knap uit gaat zien. Het merendeel van dit ingenieuze bolwerk is gestut.  Tijdens het herstel zijn oude beelden gevonden, die energie opwekken met een waterrad in de bloedsomloop van Moeder Aarde zelf. Ze kunnen vuur spuwen, alles verwarmen, licht geven met hun ogen, brood bakken in hun mond, alle zenders afspelen op hun buikwand enz. enz.

Ik zou uren kunnen vertellen over wat ik in die lingerie aan bijzondere plekken heb aangetroffen. Maar kijk zelf en ontdek de ruimten en objecten, die ooit allemaal een naam hebben gehad en nu een onbeschreven blad zijn. Nergens heb ik ook maar een regeltje tekst en uitleg gevonden en toch kom je er al snel achter wat iets zou kunnen zijn. Wat je aanraakt, opent zich meteen en als je erin kruipt vertellen je vingers net als aan blinden wat het kan zijn. Wie wil niet schuilen in de oneindige  kruipruimten, die je kunt weven van de lingerie van Moeder Aarde!? Onvindbaar voor de belastingen, de NSA, ja voor alle tentakels waarmee staten burgers bij de virtuele lurven pakken om ze te onpas leeg te schudden, vals te beschuldigen dan wel vogelvrij te verklaren.


Je weet maar nooit

Overal tikkende tijdbommen

Het kan zomaar misgaan

Op zoveel gebieden, in elk land

Alsof overal tikkende tijdbommen staan

Hier, geen mens op het strand

….

Altijd, je weet maar nooit of

Er één afgaat of bij hem in z’n kop, of

Dat een gek uit de lucht komt vallen

Omdat onze smoelen hem niet bevallen

….

Zo’n gek denkt misschien ook je weet maar nooit

Die gasten hebben zulke glazen smoelen

Of hij voelt zich gepakt en moet z’n woede koelen

Politiek wordt er immers maar wat aangeklooid

….

Kom, we gaan naar huis, ik gruw van dat stille

Het is hier echt niet pluis. Waarom gil je?

..

..

.

Vlissingen, maandag 14 oktober 2013, de dag waarop je je weer eens overtrokken realiseert dat je-weet-maar-nooit heerst op aarde, omdat het zelfs op het verlaten strand onrust baarde


VEen liedje voor hem

*

Een liedje voor hem

 *

Zij kijken er zo naar uit

Zouden het graag willen horen

Een liedje geschreven alleen voor hen

Het maakt hen gek tussen hun oren

 *

Zou hij hem zijn of hij of hij

Ze spieden langs elkaar heen en opzij

Ze hopen dat iedereen het goed kan verstaan

En dat het meteen aan zal slaan

 *

In de strandtent oefent hij zijn hoge stem

Snuift nog wat om de koorts te stillen

Hoort het publiek klappen, joelen en gillen

Zet het bandje op met ‘Een liedje voor hem’

 *

“Hij is mijn gabber, mijn liefste, mijn schat

heel m’n leven heb’k nog nooit zo’n hond gehad…..”

 *

*

Vlissingen, 12 oktober 2013, de dag waarop je een songfestival op het strand verwacht, maar alleen jankende honden van baasjes die ze strak aan de lijn houden met al die teefjes in de branding


Waterstand klein

*

Hou me vast

*

Let op, ze gaan het anker lichten

Roepen de bovenste badgasten

Allen buigen hun gezicht en

*

Hou mijn been stevig vast en

Laat nooit meer los, we gaan voor

Een onderwatertoren geheel van mensen

*

Als een trein vol net wakkere forenzen

Denderen ze over de golven, dwars door de zee

Zingen geestdriftig, Iedereen slepen we met ons mee

*

Tussen de levende pilaren van het koor

Nestelen turners zich in breedtehang

Maken salto’s in hun gedachtegang

*

Plots staat alles stil, in deze waterstand

Zingt de hele toren, hou me vast, heel het land!

*

*

Vlissingen, woensdag 25 september 2013, de dag waarop een nieuwe watersport in mij opkwam ter verbroedering van ’t vaderland aan de waterkant


Waterpaard waaghals middel

*

De overstap

*

In het hart van de plundering

was er al eens contact geweest

had de waaghals in de branding

een teken gegeven aan het beest

*

Dat hij uit dezelfde stof bestond

niet helemaal, maar wel grotendeels

ruim voldoende voor ’n waterverbond

schreeuwde hij naar het paard, luidkeels

*

Het beest verstond wat ’t wilde horen

omdat geluid zich voortplant op golven

verwaaien woorden reeds ver voor de oren

ze opvangen en de betekenis kunnen kolven

*

Aldus vernam het dier, als de waaghals zijn zuiverheid bezat

dat hij zo naar het leven zonder menselijke zin overstapt

*

*

*

Rotterdam, maandag 23 september 2013, de dag waarop het middenpaneel van de plundering in mijn schoot viel


Waterdraf klein correctie

*

Na de plundering

*

Met duizenden paarden kwamen ze

Op klaarlichte dag

Hemelsblauwe ruiters in volle draf

Over het rulle zand

*

Onverwacht opgestaan

Uit een immens zeemansgraf

Niemand van de dagjesmensen

Die ze bijtijds zag

*

Na de plundering van de kust

Volgde de verwoesting van het land

Wie niet was gevlucht of vermoord

Begroef men alsnog levend op het strand

*

Op de weg terug bood het laatste paard

Onbewust een waaghals de helpende staart

*

*

*

Rotterdam, de nacht van 21 september 2013, toen in een visioen de eindtijd net aan mij voorbijging

——–

Ps

Eigenlijk wilde ik waterpaarden maken, maar ik vond het resultaat niet geslaagd

Afgekeurd

Afgekeurd

Grafisch niet echt spannend, maar als fantasie een heel ander visioen:

*

Voor de plundering

*

Waar het water bellen baart

veranderde het licht

zijn soortelijk gewicht

in dat van een vloeibaar paard

*

Met duizenden tegelijk

stonden ze op uit de branding

maakten van het strand een dierenrijk

van waterpaarden, een galopperende dampkring

*

onbereden

verrasten ze de dagjesmensen

met een nooit gedacht ontstaansverleden

dat zich niet plooit naar zuiver rationele grenzen

*

voor de plundering was er deze zoete droom

in een natuur van louter water leeft ieder wezen in een eigen zoom

*

*

*

Achteraf bevallen me beide prenten en gedichten wel. Met nog een derde prent heb ik weer een drieluik. Ik ga aan de slag met een blog over het middenpaneel.


….stadstuin Emma’s Hof

het was een mooie zondagmiddag, maar we hebben de fotoos  nog!

en voor wie niet kon komen zijn er filmpjes gemaakt

het programma voor de pauze en na de pauze


In het pak van mijn vader 2

.

De man oogt als een printeronvriendelijk bedrijfsgebouw

Vol organen die zorgen voor een stoffelijk leven in dienst van

Degene wiens spookachtige leden op mysterieuze wijze

Samenwerken in grijze cellen aan de vereniging

.

In mij jagen dagelijks dergelijke mieren me de stuipen op het lijf

Voel ik me een illegaal met de angst van je weet maar nooit

Of ze je huis van vlees zullen kraken en je leden zo schokken

Dat je al samenspannend door hen je eigen lichaam wordt uitgezet

 .

Maar met zo’n zwart pak van mijn vader aan durven ze dat niet meer

Verkeer ik weer in het lichaam van zijn heer en hou volgens dat recept

De duivel met zijn maatschappij en al buiten de deur, bekruipt me de waan

Dat hun dode god mij zal redden uit het nachtelijk leven in actiefilmformaat

 .

Was het mij maar op het lijf geschreven, roep ik volledig van de kaart,

Onbevreesd met al mijn leden te leven in uw tijd en op uw plaats.

.

.

.

Rotterdam, zondag 11 augustus 2013, de dag waarop ik mijn aandoeningen meer dan spuugzat ben


De dichter en de ziel

Haalt adem door te dichten

Maakt ruimte op papier voor

Wat gedacht kan worden

Gevoeld in al je vezels

Met spiekbriefjes wordt de ziel bespeelt

Van het dier dat van verhalen leeft

Het oog voor ’t onzegbare in een envelop gestopt

Van zorgvuldig uitgekozen woorden

Die a capella van binnen zingen

Wat anders van buiten nooit

Door het glas heen kan dringen

In de deur die de lezer van hem scheidt

Net als het leven zelf is zijn ziel niet te vangen

Maar biedt de taal kunstarmen voor dat verlangen

Vlissingen, 7 juli 2013


Mislukte dood

 

De vrouw wankelt de winkel uit

Tussen twee volle boodschappentassen

In haar zere knuisten geklemd

Probeert zij de wijkbus te halen

 

Klakkend met haar tong als een ezel

Die op weg gaat, maakt ze haast

Om op de achterbank neer te ploffen

Langs haar dijen de pijn weg te masseren

 

Foeterend op mij als haar man

Dat zij geen voet meer zal verzetten

Als ze straks thuis zijn, zal ik moeten koken

De was doen en ook de bedden opmaken

 

Ik merk op dat ik haar man niet ben

Zij glimlacht, het leven is ongrijpbaar

 

——-

 

Na zo’n honderd meter stapt haar dochter bellend in

De hele dag zit je met anderen aan de lijn.

Mobieler kan een mens niet zijn

Knipoog ik spottend

 

Zo’n beetje alles wat we verlangen

Is hard zo breekbaar, zacht zo scherp

Meen ik haar voor zich uit te horen mompelen

Terwijl dochter lief haar kaart ook uitcheckt

 

Op internet lees ik thuis over ontbrekende liegsporen

Bij mensen in een toppositie. Narcisten en psychopaten,

Die geen emotie kennen als ze je besodemieteren.

Hoe heerlijk moet het zijn: geen stress, geen compassie

 

Geen wroeging. ‘Spijt is een koe die schijt.’ zei Herman Brood

Het leven is ongrijpbaar, citeer ik haar denkend aan zijn dood

 

——–

 

Groeit verder weg dan diep van binnen

Dwars door lijven, huizen, steden tot een wereld

Waarin het zich verlaten voelt als deel van een geheel

Weerloos is voor de wanhoop het niet meer aan te kunnen

 

Een geladen woord dat in het gezicht ontploft,

Letterlijk bij de mislukte zelfmoord van de man

Die schoon genoeg had van zijn uitzichtloze bestaan

Figuurlijk bij de vrouw die informeerde naar mijn naam

 

Uit welk dorp kom je, zei ze, toen ik weersprak

Dat haar god leven geeft en dezelfde is voor altijd,

Overal en iedereen. Dat hooguit ooit een kok ons

Als recept in handen had, maar het daarna vergat.

 

Gestolde geest in verdampte stof, het leven is ongrijpbaar

Het kan een falende dood zijn in een zelf gegraven graf.

 

 

Rotterdam, 25 juni 2013


De ongejurkte bruid

Leef je uit

 –

Als je ’t echt meent

Terugkeert in mijn leven

Weet dan dat ik niet meer ben

Wie ‘k toen voor eeuwig voor je was

Toen jij zo nodig

Op zoek moest naar jezelf

Heb ik de leegte zijn zin gegeven

Groeide over ons een weilandvol gras

Mocht  je naar die tijd verlangen

Ik heb je niet verloren als een zoon

Ik ben ook geen vader die kan vergeven

Met jou verdween voor mij voorgoed de troon

Maar wees gerust, mijn vriend, en leef je uit

Ik speel nu voor iedereen de ongejurkte bruid

Vlissingen, 2 april 2013


Wanenmeer

Maar Siegfried schoot wel

De waan van de zwaan kapot

De dans ontspringend


Een  gelukkige hersenschim

Een gelukkige hersenschim

Nu ik ziek ben,  komt hij vast weer langs. Zal hij zoals vroeger mij oneindig dierbaar zijn. Kan ik weer aan zijn nabijheid en warmte denken als een tijdelijke woning. Zoals toen, in dat herenhuis en in die villa die nog meer een stad werden dan ze in het dagelijks leven van ons gezin al waren.

Dat innig samenzijn van vader en zoon zocht ik ook vaak op door ongehoorzaamheid. Dan wist ik als ik huilend om vergeving zou vragen zijn hart zou breken en zijn armen open gingen voor een warme stede.  Zijn erbarmen was op zo’n moment, in het voorts afstandelijk samenleven, zo groot dat alle narigheid van een te strenge opvoeding samen met zijn strikte geloofsleer wegsmolt.

Het bestaan voelde zolang het duurde aan als een nimmer eindigende waterval. Alle beknellingen en verstrikkingen om de slechtheid van de mens te snoeren veranderden in anekdotes, waar we tongloos om konden lachen. Want er daadwerkelijk over spreken zou onze omhelzing onmiddellijk verbreken.

Als een geschenk uit de hemel komt hij vandaag in levende lijve op visite. Zet zich voor  mijn bed neer op het daartoe aangesleepte bankje en  trekt me op zijn schoot. Ik verras hem met het voordragen van een vers sonnet. Alsof we een kleine receptie houden voor zijn verjaardag, ruim een maand geleden.

Schootprinsje

Wist je, je was mijn koning
Ik droeg je mantel, opgedragen
Voor je vazallen steef ik de kragen,
En fluisterde met ze over onze woning

Je weet wel, het huis dat ik gevonden
Had, toen jij het volk toesprak over je geloof,
Waaraan je zo gehecht was door de vele wonden
Die het je had toegebracht, toen jij net als ik opstoof

Als je moest luisteren naar de woorden en de dingen
Waar jouw vader weer mee kwam, zingend door de muren
Heen van zijn boerenwoning. We leden samen alle dagen, alle uren
Die we maar tellen konden in een eenzaamheid vol zinloze keerkringen,

Omdat we de zon in het zenit noch het nadir konden verdragen om niet
De belofte te breken voor elkaar bestemd te zijn, de waarheid van ons stil verdriet.

Rotterdam, 13 februari 2013, de dag waarop ik mijn geluk even niet opkan.


vadergeloof_ingelijst

Tegen het einde van het bezoekuur keek ik nog even achterom. Zag dat de slangen waren weggehaald, het bed verschoond , zijn kleren opgevouwen in zijn tas, de fruitschaal onaangeroerd opgeborgen was. Voor mijn ogen had hij nog mijn namen vlekkeloos opgeschreven. Alsof zijn pen vergeten was dat hij geen enkele macht meer had. De enige toezichthouder was ik zelf.

Woesteling, stond er niet doorgekrast, Duivelskind, Godslasteraar, Leugenaar, Dief, Driftkop, Vadermoordenaar. Sloeg voor mijn ogen tergend langzaam zelf de bladzij om, waarop hij gisteren nog schreef dat ik zijn Hoop. Liefde, Vertrouwen, Geluk en Vreugde was. Het is allemaal waar, nu ik het hardop voorlees in mijn dromen en me gelukkig prijs een mens van vlees en bloed te zijn. Wat wil hij meer dan dat ik toegeef wat zo mooi het menselijk tekort wordt genoemd en dat die notie in alle domeinen vaste voet aan de grond heeft gekregen?  Waar hoor je dat steeds meer als diepste gedachte beleden worden, waar in feite geen enkel systeem tegen bestand is?

Zelfs als de dood door mijn hand gestuurd je niet het ongeluk had gebracht, had jij je allang geschikt in je lot, omdat het al getrokken was. De mens is geboren als een slecht wezen, zo keek jij tegen het leven aan en ik kon dat slechts beamen. Het gaf je het gemak om niets te vrezen, want zelfs je doodslag zat in dat koersplan. Mijn god, wat hou ik van zo’n man, die de enige ander zonder naam nog vrezen kan; terwijl hij weet van zijn natuur en hoe het planmatig in elkaar stak. Die waarheid kon hij ook niet echt verdragen, gezien de vele slagen die hij nodig had.

Tegen vierkant vlees, waarin de mond dwars is uitgevreten, de keel opengereten, is niets bestand.  Zelfs geen geweten dat trillend in mijn hand om vergeving had gesmeekt en nu geen raad weet met zijn te hard gekookte kant. Terwijl ik door het venster naar zijn overblijfselen staar, hoor ik van de zoveelste zwendelaar die zijn zakken heeft volgepropt; wetend dat niemand hem iets kan maken. Ook al zou een toezichthouder zijn kluizen kraken, dan nog deert hem dat niet. Genoeg plaatsen waar hij door kan gaan met zijn oplichtersloopbaan.

Natuurlijk heb ik de pest erin, dat ik die rijkdom niet bezit noch het perspectief en niet bestand ben tegen de druk om braaf mijn best te blijven doen. Terwijl de overheid het tekort uit mijn zakken klopt, blijf ik maar hopen op de dag dat die ander bukken mag en al zijn geld voor mij uittelt. Of op een sluitend systeem, waarin niemand kan profiteren omdat opeens iedereen  integer is. Zonder een moraal van buitenaf ingefluisterd of door een kleinkind op de schoot, die inkeer afdwingt. Voor mijn part met die bloedrode traan uit een hemelwaterkraan langzaam druppelend op zijn hoofd, totdat hij zo week is dat hij schrikt van zijn zelfbeeld.

Dat voor iedereen de waarheid zulk gul water moge zijn, daar kan ik eigenlijk best mee leven. Als dat water plots in geld verandert, dan wil ik dat zelfs zonder tegenspraak geloven. De homp gilt het uit van de pret, weer een schepsel die zich onderdanig uit een maatschappelijk pervers leven redt.

Vlissingen, 4 februari 2013, De dag waarop mijn pillen averechts op mijn zenuwen beginnen te werken.