Post Tagged ‘lichaam’


Gezongen diagnose z

Ze hadden hem betast, beklopt en bekeken. De bodyscan wel tig keer vergeleken met al die anderen in hun bestand. Die ontevreden zijn over de aard van hun kraam; zich niet thuis voelen in hun lichaam. Er was helaas niets met hem aan de hand.

U bent te saai voor ons, zong de eerste stem. De tweede galmde er dwars doorheen dat hij veel te gezond was, zeker voor ouderdomspleen. Wij ontraden verder onderzoek met klem. Het tikje tegen zijn billen vond hij op zich wel aangenaam. Maar over zijn existentiële onvrede deden ze hem te minzaam

Geletterd geweld, godlasterlijk getier, gillend geschreeuw, trok als een kudde wilde dieren door hem heen. Weer werd hij afgescheept met een nauwelijks onderdrukte geeuw. Zonder pardon teruggezet op het verkeerde been. Gezondheid als zorg wat verwach je? Stop al die heibel om je hachje.

Thuis geeft hij zijn barbiepoppengeest een draai om de oren voor wat zij vreest. Aan haar lijden ergert hij zich nog het meest. Opnieuw was al zijn gedruis voor niks geweest. Was zijn weemoed terug bij af. Luidde de klok de doodstraf. Als zesjarig meisje door het leven willen gaan, slurpte al het licht op van zijn zestigjarig bestaan.

Opeens moet hij lachen om zo’n kinderwens en dat deze zichtbaar zou zijn door hun lens. Iedere cel kent een nieuw begin, maar dat geeft op zich aan de natuur geen zin. Nergens tekenen om het te berekenen Trouwens, voor welke duur vindt hij zo gauw een adoptiegezin en hoe staan zij erin.

Een beest, een berg, een boom, ze kennen geen betekenis, het is de hele natuur een worst. Ze hebben niks met zo’n droom. Zij maken zich niet druk om de zin van hun korst. Door de vanzelfsprekendheid van het voortbestaan is hun levensloop vanaf het prille begin al een ronde baan.

Wat een leven heb je als mens, als je kooi bepaald wordt door een leeftijdsgrens.


zielnul


 

De man kijkt hem onderzoekend aan. “U mist een ziel?”, vraagt hij lichtelijk verwonderd, “heb ik dat goed verstaan?”.

 

Ik heb er geen, inderdaad, maar missen?, vraagt de klant, “ dan moet ik hem eerst kennen en dat is het probleem. Ik kan me er geen voorstelling van maken. Ik dacht altijd dat het een ander woord is voor mens of voor zijn suprême investering in een prachtwerk. Tot mijn buurvrouw me aansprak over een ziel als een onstoffelijk voertuig, orgaan of medium. Die notie mis ik.”

 

Ah, dat mist u!”, grijnst de winkelier, “u heeft geen idee wat het is en u dacht: laat ik eens bij die christelijke boekhandel op de hoek vragen naar zo’n ziel. Alsof wij een handel in geloofsartikelen zijn en van ieder concept een tastbaar object in huis hebben, waarvan u maar de naam hoeft te noemen en wij kunnen het u in alle merken leveren. Maar zo werkt het niet, vriend. Geloof verkopen we niet. Wel de tekens, de vingerwijzingen of liever de hints.”

 

De klant knikt beleefd en bladert wat in een dichtbundel getiteld Geen ziel te bekennen. “Die dichteres komt enigszins in de buurt van wat de grote godsdiensten onder de ziel verstaan, maar ik kan u geen garantie geven dat het algemeen geldig is”, waarschuwt hij hem, “Christenen, joden, hindoes en moslims zijn nogal verdeeld over de ziel zelf en de verhouding tot lichaam en geest.”

 

Al kletsend over de sterfelijkheid van ziel en lichaam, de onsterfelijkheid van de geest, de tijd en plaats die de mens is gegund om zijn ziel als het schoonste deel van zichzelf tot uitdrukking te laten komen, zoekt de verkoper in de bundel van een zekere Zaligski naar het meest treffende gedicht. “Kijk hier op pagina 15”:

 

Zetel

 

waar mijn ziel is,

reikt geen bloot oog

mij als vanzelfsprekend aan

 

zonder een waar te nemen lichaam

en ook geen stem,

al open ik ieder raam,

geen speld te horen,

geen spatje licht

 

te zien en toch spreekt

een onherkenbaar ver gezicht

mij aan, voordat ik het merk is het uitgewist,

 

als ontspiegeld glas bedroog

het mijn verrekte geest

met een stem zonder adem

 

 

Zo, dat is andere koek,” kijkt de klant verrast op, “iets wat je niet kunt zien, spreekt je aan als beeld, bedriegt je geestesoog met het horen van je naam verrekt daardoor je geest en op die grond leeft de ziel.”

 

Volgt je op je stramme schreden in je verleden”, lijkt de verkoper te zeggen.

 

Pardon”, protesteert de klant beleefd, “wat bedoelt u daarmee?”

 

Ik had het tegen mijn vrouw”, verontschuldigt de man zich , “Volk, riep ik, of je met je stramme leden naar beneden zou willen komen. Zij is meer thuis in spiritualiteit dan ik, moet ik helaas toegeven. Ah, daar is ze al. Mijnheer hier wil het fijne van de ziel weten. Kun jij hem misschien helpen?”

 

Ze steekt haar hoofd om het hoekje en roept: “ik kom zo, hoor”. Even later komt ze naar hem toe. Zoals veel wedergeboren christenen heeft ze haar haar strak achterover gekamd en in een knotje achterop haar hoofd opgerold. Haar gezicht is zo maagdelijk wit en zo vriendelijk, dat ze hem daardoor een ogenblik geheel voor zich inneemt.

 

(wordt vervolgd)